De heren en hun gerecht te Zemst tijdens de middeleeuwen vanaf 1293.


Marc Alcide

1995



Inhoudsopgave:
 
 

Inleiding
Het Charter
De familie Van Grimbergen-Asse, opgevolgd door de familie d’Antoing
De scheidsmannen
De familie Van der Aa
Het Charter van 1301 en de familie Antoing
De familie Antoing
De familie Van Edingen
De familie Van Heyenbeke
De familie Raes
De familie Vilain
Zemst en het Leenhof van Brabant
1400-1440
Conclusie
Bijlage 1. Het Charter van Zemst van 1293
Bijlage 2. Het Charter van Zemst van 1301
Bijlage 3. De rechten van Oliveten te Zemst
Bijlage 4-7. Fragmenten uit genealogieën van heren van Zemst (nog niet geimplementeerd)

Een gedrukte versie van deze studie MET voetnoten kan U vinden in de bibliotheek van het VVF, F. Van Heybeeckstraat, 3,  2170 Antwerpen

Inleiding

Over de geschiedenis van Zemst voor pakweg 1450 is er, toen het bij de meierij Kapellen ingedeeld werd, niet veel geweten of geschreven. Dit domein moet nog volledig ontgonnen worden en de reeds her en der verspreide vermeldingen moeten nog bijeen gebracht worden.

De geschiedschrijvers A. Wauters en J. Verbesselt waren de eerste die de middeleeuwse geschiedenis van Zemst aanraakten. Zij namen Zemst mee op in het geheel van de omgeving Brussel of zelfs geheel Brabant. A. Wauters ontleedde in de tijd dat hij archivaris te Brussel was ontzettend vele middeleeuwse teksten, charters, enz... waarop hij zijn Histoire des environs de Bruxelles baseerde. Het was een kolossaal werk, waarop heden ten dage nog menig (amateur-)historicus en/of student zich baseert.

Beide schrijvers kwamen tot dezelfde conclusie. In Zemst waren tijdens de middeleeuwen drie schepenbanken. Doch op de vraag wanneer of hoe zij ontstonden kunnen zij geen antwoord geven. Het is een feit dat er drie schepenbanken bestonden in Zemst. Maar was dat vóór 1293 ook zo?

Een andere bewering van bijvoorbeeld J. Verbesselt is dat er in Zemst geen heren waren. Indien men over Zemst niet genoeg gezocht heeft zal men er natuurlijk geen vermeldingen van vinden. Na een paar jaar lectuur en bronnen te hebben doornomen vond ik er toch reeds vijf die uitdrukkelijk Heer of Vrouwe van Zemst worden genoemd: Jan en Godevaert Vylain, Isaac d’Antoing en Elisabeth Van Asse, langs ene zijde en anderszijds vond ik Philips Van Glymes als Heer van Zemst van de Heren van Grimbergen. Verder vond ik in de bronnen nog tal van vermeldingen als "de schepenbank of de schepenen van persoon x te Zemst". Persoon x is dan ook naar mijn mening Heer of Vrouwe van Zemst.

Dit artikel is gevolgd op de ontdekking van twee middeleeuwse akten, weliswaar overgeschreven in teksten uit de zestiende eeuw. De originelen zijn tot hier toe nog niet gevonden. Verder vond ik nog een tekst die de rechten van Oliveten beschreef, weliswaar ontbreekt hier een deel.

Omdat ik niet zo sterk ben in het interpreteren van deze middeleeuwse, Dietstalige teksten, heb ik ze gewoon ontcijferd en in zijn geheel achteraan bijgevoegd als bijlage 1, 2 en 3. Toch heb ik een poging gewaagd om er één en ander uit te halen.

Het stramien van dit artikel is gebaseerd op twee authentieke en belangrijke citaten uit de archieven. een eerste vermeldt de opvolging van de heren van Zemst, vanaf 1293 tot het midden van de zestiende eeuw en een tweede geeft in een paar lijnen een tijdsdoorsnede rond 1440 van Zemst en zegt wie er de touwtjes in handen heeft. De citaten staan in cursief verder in dit artikel.

Het initiatief om het recht in Brabant op het platteland te vestigen kwam van het huis van Grimbergen, dat in 1275 een landcharter toekende aan de inwoners van zijn domeinen. Het charter werd verleend door Maria Van Grimberghen, weduwe van Philips van Vianden, te samen met haar zoon Godfried, als vertegenwoordigers van de oudere tak van het huis van Grimberghen, en Geeraard van Aa als vertegenwoordiger van de jongere tak. Na het overlijden van haar man wenste de weduwe haar onderdanen voor zich te winnen door het verlenen van een landcharter. Dit is één van de oudste, zoniet het oudste landrecht in de Nederlanden dat in het Vlaams werd opgesteld. Het bevat uitsluitend strafrecht waarin hoofdzakelijk de boeten die aan de heer verschuldigd waren, geregeld worden.

Bij mijn weten zijn er tot op heden geen middeleeuwse charters bekend die zoals in dit geval (bijna) enkel over Zemst handelen. Op het stadsarchief van Mechelen vond ik er na intens zoekwerk echter wel twee.

Eén ervan betreft een copie van een oorkonde, handelend over Zemst en in mindere mate over Buggenhout. Het origineel dateert van 11 juni 1293. Het charter moet na 1293 nog danig belangrijk gebleven zijn. Het werd immers meermaals herschreven teruggevonden in voornoemde archieven.

De oorkonde in bijlage 1 die ons hier bezig houdt omschrijft de verdeling van de rechtsmacht te Zemst tussen Geeraard van Aa, heer van Grimbergen, enerzijds en Vermachtelt, vrouwe van Buggenhout, weduwe van Hendrik Van Grimbergen alias Van Asse, met hun dochter Verlisebetten (Elisabeth of Isabeau), jouffvrouwvan Anthonie, en haar man Huygen of Hugo van Anthonie (Hugues d’Antoing), anderzijds. Met het milieu van deze personen kan U verderop kennismaken. Deze families waren niet van de minste: Nog later onder het bewind van Jan III worden als belangrijkste families van Brabant opgesomd: Van Grimbergen, Van Rotselaer, Van Bouchout, Van Walhain, Van Aa, Van Boutersem, Van Leefdael en Van Jauche. Ook vrouwen waren in het bezit van grote domeinen. Het feodaal recht was hier de oorzaak van door erfenissen.

De lenen konden alle vormen aannemen: het konden gronden zijn, dorpen, pachthoeven, kastelen, hofstede(n), molens , brouwerijen, bossen, heiden, wijngaarden, waterlopen ,enz...

Dit artikel is verder nog gespekt met genealogische bijlagen. Bijlage 4 is een fragment uit de genealogie van Walter Van Grimbergen, ook genaamd Walter Draekenbaert. In dit fragment staan tal van nakomelingen van hem vermeld die op één of andere manieren met Zemst te maken hadden. Bijlage 5 is een fragment uit de genealogie van Jourdain Vilain, een voorvader van Godfried Vilain; hetzelfde met bijlage 6: dit is er één uit het huis van Edingen. Tenslotte is er bijlage 7, een kwartierstaat als aanvulling op de genealogie in bijlage 4.

Charter
 

Tijdens het regime van Jan I en meer bepaald op het einde van zijn regering werden administratief een hele reeks puntjes op de i gezet. Ik som ze even op. Een reeks van bijzondere privilegiëen aan verschillende steden, instelling van markten, afstand van heerlijke rechten, goedkeuring van gildewetten, verordeningen nopens de munten, nopens het vrije bedrijf en uitoefening van leen- en erfgoederen, aanwakkeren tot het bebouwen van overstroomde gebieden, erfuitgeving van heidegronden, strafbepalingen voor allerlei misdaden en overtredingen, schikkingen ter betere uitoefening van het recht, bepalingen van grenzen tussen heerlijkheden en van heerlijke rechtsgebieden en in het bijzonder het verdrag van de hertog van 20 januari 1293 tussen Godevaart, graaf van Vianden en Geeraard van Aa, heren van Grimbergen, ter regeling van de betrekkingen van deze heren en hun onderdanen met de hertog van Brabant.

"Onze" oorkonde kadert helemaal in deze activiteiten. Ter voorbereiding van het opstellen van de oorkonde werd eerst een onderzoek gedaan. De voornaamste bepalingen van de charter beginnen op regel 27. Vermachtelt, haar dochter en schoonzoon, en hun mogelijke nakomelingen krijgen de lagere rechtsmacht op de gemene goederen van Zemst. Deze rechtsmacht zal onderhouden worden door schepenen en dienaren van de wet. Van de boeten die er geheven werden moet echter een vierde geïnd worden door Geeraard Van Aa. Van de rechtsgeschillen die nog moeten behandeld worden moet Vermachtelt de opbrengsten aan haar erfgenamen geven. Dezen moeten daar weer een vierde aan Geeraard Van Aa geven. Het stond Vermachtelt vrij op welke manier zij deze opbrengsten bekomt, t.t.z. aan wie zij de in beslag genomen goederen verkoopt.

Het recht om lijfstraffen uit te spreken en toe te passen, het zogenaamde halsrecht of de hogere rechtsmacht kwam te Zemst volledig toe aan Geeraard Van Aa. Op goederen van personen uit Zemst, die kwamen te sterven buiten Zemst, had Vermachtelt weer drie vierde recht en Geeraert één vierde. Had de overledene een huis te Zemst dan had Geeraard hierop volledige rechten, zoals de geplogenheden van het hooggerecht het wilden.

In verband met de twisten die te Buggenhout waren gerezen werd beslist de situatie te houden zoals ze was. Geeraard mag de rechtszittingen in verband met zijn speciale goederen blijven doen op het kerkhof of op de plaats vóór het kerkhof.

De verkopen en procesuitspraken die gedaan zijn te Zemst vóór de oorkondedatum bleven gelden zoniet wordt er een boete aangerekend.

Een gelijkaardig charter werd reeds gesignaleerd voor ‘s Gravenwezel, bij Zandhoven, waar de gerechtigheden op 16 januari 1292 geregeld werden. Hendrik Van Wilder, waarvan in onze studie nog sprake is, krijgt er de rechtsmacht. Men krijgt hier de indruk dat de hertog zijn vazallen beloonde met rechtsmacht in gebieden als compensatie voor bewezen diensten. Deze vazallen werden ook bevoordeeld als zij terecht stonden voor een misdaad, in tegenstelling tot de gewone dorpman. Ook heden ten dage zet de machtshebber zijn getrouwen nog graag op sleutelposten.

Het termen hoge en lage rechtsmacht werd in feite bepaald door de natuur van de straf die men opliep. In het verleden werden deze termen in het Latijn delicta minora en delicta majora genoemd. In het Diets noemde men ze daghelyksche warheiden en groote warheiden of groote saken. Onder de eerste verstond men een misdaad die slechts bestraft werd met een boete. De andere werden bestraft met een lichamelijke kastijding. De processen in verband met daghelyksche warheiden werden niet bijgewoond door publiek.

De toenmalige schepenbanken waren als volgt samengesteld: De officier van het gerecht duidde de rechters aan, enkel bestaande uit de schepenen, laten, of beiden, van zijn territorium. Zij verdienden per zitting twee denieren als zij zich te voet moesten verplaatsen of drie indien ze te paard moesten reizen. Om een "lage rechtszitting" te houden moesten er ten minste twee personen aanwezig zijn.

Blijkens een akte van 3 mei 1298, opgemaakt te Mechelen, blijkt dat er te Zemst een bijzondere, harmonische, samenwerking bestond tussen de twee machten. In de akte staat dat de cijnsplichtigen van Geeraard Van der Aa, heer van Grimbergen, oorkonden dat Wouter en Hugo, gebroeders, zonen van wijlen Wouter, genaamd Vlaminch, aan Jan, genaamd Scat, poorter van Brussel, drie bunders onder Zemst verkochten. Het gaat hier om de plaatsen Jefroth en Dicbroech. De akte werd opgesteld door de drossaard van Geeraard Van der Aa, Johan de Wildebroech. Op het eerste zicht is hier niets eigenaardig aan de hand: het is één van de weinige bewaarde vroege akten die rechtstreeks betrekking hebben op Zemst. Doch onderaan de akte hangt nog duidelijk het donkergroene zegel van de schepenen van Hendrik Van Asse (+S SCABINORUM HENR. DE AS[CA] IN SEMPSE) met het wapenschild van de Van Asse’s: een dwarsbalk met daarover een Sint-Andrieskruis. Deze schepenen waren Walterus De Vyesch, Johannes de Lapidea Via, Segerus de Brainch, Johannes de Expole en Wiilelmus filius Reneri, zowel meiseniers als cijnsplichtigen genoemd.

Nog eigenaardiger is wel dat er in ons charter van Hendrik Van Asse geen sprake meer is. Hij was reeds overleden. De heerlijkheid met schepenbank was reeds vijf jaar in het bezit van de nieuwe Zemstse heer Hugo d’Antoing en Elisabeth Van Asse. Gebruikten de schepenen nog altijd zijn zegel omdat Hugo d’Antoing ook andere beslommeringen had dan te Zemst te vertoeven? Hij was immers ook heer van Eppegem, Merchtem en Anderlecht. Er is ook een andere hypotese: Hendrik Van Asse had nog een zoon met dezelfde naam. Misschien had deze nog wel iets met Zemst te maken.

Van Asse, opgevolgd door de familie d’Antoing.

Vermachtelt was gehuwd geweest met ene Hendrik van Grimbergen of van Asse. Zij hadden een zoon, Hendrik en een dochter Verlisebetten voornoemd. Hendrik Van Asse, zoon van Hendrik, en zijn nazaten, hadden te Buggenhout voor eeuwig gronden in leen gekregen samen met de inkomsten, de leenhulde de landbouwbedrijven enz... bij brief dd. juni 1266 van de heer en de vrouw van Grimbergen, Maria de Perweys en haar man Philippe, graaf van Vianden. Later, in 1271, kreeg de familie er nog 20 bunderen bos bij. De oudste tak van de Asse’s, waarvan Robrecht van Asse, werd hiervoor gehuldigd. Hij wordt samen met Geeraard van Aa, ook vermeld in een lijst van prinsen, baronnen, adelijke personen en vazallen van Brabant.

Reeds in 1235 was er te Zemst een ridder die te Expoel woonde. Zijn naam was Geraard Hacca. Hij gaf met zijn vrouw en zijn gelijknamige zoon aan het Sint-Janshospitaal te Brussel een jaarlijkse en eeuwigdurende rente, te heffen op de molen van Molhem. Deze akte bewijst dat Zemst reeds vroeg banden had met de streek van Asse.

Het charter is mogelijk opgesteld na het overlijden van Hendrik Van Asse. Volgens de geschiedschrijver A. Wauters bestond er in 1283 te Zemst een schepenbank van Hendrik Van Asse. Deze Hendrik, die bovendien heer van Moerzeke was, evenals zijn vader en zijn zoon met dezelfde voornaam, leidde een serie heren van Buggenhout in. Bovendien is het wapenschild van Van Grimbergen bijna gelijk met dat van Van Aa, wat mogelijk een verre verwantschap illustreert. De familiebanden worden trouwens bevestigd door historische geschiedschrijvers zoals bv. Van Huldenberghe. De gemeenschappelijke voorouder van beide heren was niemand minder dan Geerard Berthout, zoon van Wouter, bijgenaamd Draeckenbaert. De scheiding van de rechtsmacht was dus in feite een familiale aangelegenheid.

De ridder Hendrik van Asse staat reeds mee vermeld op een charter op datum van 14 mei 1267, waarbij het stadsbestuur van Leuven zijn steun uitspreekt aan de hertogin. Hij was ook aanwezig op 20 september 1267 toen hertog Jan I de bruidschat van zijn moeder erkende en te Aken in tegenwoordigheid van de bisschop van Kamerijk en andere belangrijke heerschappen. Enkele andere heren hierbij aanwezig waren Wouter, heer van Edingen, Wouter Berthout, heer van Mechelen, andere familieleden Berthout, Arnout, heer van Wezemaal, enz... In 1286 werden samen met anderen de heer van Asse en Geeraard Van Aa, burchtheer van Brussel, door de hertog opgeroepen naar Kortenberg te komen om deel te nemen aan een expeditie, waarover verder geen details bekend waren. Ze vertoefden trouwens verder nog vaak in mekaars gezelschap, meer bepaald in de kringen van de hertog. Ze maakten deel uit van zijn vazallen. In de ammanie van Brussel waren zij de belangrijkste heren, samen met deze van Gaasbeek.

Hendrik Van Asse had het feoduum perpetuum over Buggenhout gekregen van Maria, de vrouw van Philips van Vianden. De dochter van Hendrik, Isabeau Van Asse vererfde Buggenhout. Zo bleef Buggenhout tot in de 15de eeuw onder het huis van Asse. In een oorkonde van 1292 wordt dit goed nader omschreven: Henricus de Grimbergis et Mathildis uxor ejus tenent a nobis (Godfried van Perwez) dominium de Buggenhout cum omnibus justiciis altis et bassis, exceptis 30 bonariis quae tenet nobilis mulier Maria de Asca, uxor domini Roberti de Asca. Buggenhout stond in rechtstreeks verband met Zemst. Ze hadden dus identiek dezelfde heren. De hoge en lage justitie kwam er in 1292 toe aan Hendrik Van Asse, daar waar zijn vrouw in Zemst na 11 juni 1293 alleen nog de lage rechtsmacht bezat. Bezaten ze te Zemst voordien ook de hoge rechtsmacht? We vermoeden van wel, hoewel de oorkonde het ons niet duidelijk maakt. Het zou kunnen dat Hendrik Van Asse te Zemst een verblijfplaats bezat zoals te Buggenhout waar hij ook een domicilium bezat. Hij hechtte wel groot belang aan Buggenhout, daar hij er in zijn hof en in de parochiekerk twee kapelanijen oprichtte. Bovendien wordt hij er tussen 1266 en 1280 als dorpsheer aanzien.

Samen met zijn broer Robrecht was hij ook betrokken in de voor Brabant succesrijke oorlog van 1288, maar het is niet duidelijk of zij effectief aan de strijd deelnamen, in tegenstelling tot Geeraard van Aa.

Latere afstammelingen, uit het begin van de vijftiende eeuw, getuigen nog van de macht van dit geslacht. Jan Van Grimbergen, heer van Asse, werd tot amman van Brussel benoemd in op 19 december 1405 en oefende deze functie uit tot 24 november 1406, terwijl hij ook nog van 4 maart 1405 tot 6 januari 1406 de functie van schepen te ‘s Hertogenbosch uitoefende. Hij was een van de machtigste feodalen van de ammanie. Hij word zelfs ook vernoemd als markgraaf van Rijen van 18 mei 1400 tot 7 december 1402.

scheidsmannen of scheidsrechters.

De oorkonden werden gedaan in het bijzijn van de "scheidsrechters" Jan Van Rode, heer van Ingelmunster, en Geeraert, heer Van Rode en van Melle, beide ridders, familieleden en belangrijke namen met betrekking tot het toenmalige graafschap Vlaanderen. Jan Van Rode was een vurige aanhanger van de graaf van Vlaanderen en bleef hem zijn leven lang trouw. Aan de Guldensporenslag zelf kon hij niet meedoen. Op deze dag zat hij immers opgesloten te Janville. Hij werd na 11 juli 1302 door de Franse koning Filips de Schone ontboden om uitgewisseld te worden tegen een Franse ridder die in Gent gevangen werd gehouden. Hij had ook een kasteel te Ingelmunster, dat op het einde van de 13de eeuw geplunderd werd. Vermoed wordt dat Jan Van Rode overleed na 1309. Na dat jaar vond men hem immers niet meer terug in de oorkonden. Het feit dat er Vlaamse scheidsmannen optraden kan te maken hebben met het feit dat Geeraard van Aa gehuwd was met een Maria Van Brugge-Gruuthuse.

Van der Aa.

Geeraard Van Aa, heer van Grimbergen, heer van Pollare was een nakomeling van een kastelenheren-geslacht van Brussel. Hij was gehuwd met Maria van Brugge of van Gruuthuse. Zij hadden een zoon Geeraard, heer van Aa, Grimbergen en Gruuthuse genoemd in akten tussen 1310 en 1320. Deze huwde met Isabella Van Leefdael, weduwe van de ridder Willem van Petershem, en overleed in 1347. Een andere zoon, Jan, was heer van Grimbergen en Gruuthuyse. Hij ondertekende te Gent op 3 december 1339 de akte van alliantie tussen de graaf van Vlaanderen en de hertog van Brabant. Hij hield meerdere lenen van de stad Brugge. Hij was een eerste maal gehuwd met Catharina Van Steenlant, dochter van Jan, heer van Lophem en van Agnes Van Varsenaere. Hij huwde een tweede maal met Margareta van Dudzeele, dochter van Boudewijn, ridder, en van Maria de Bailleul.

Geeraard Van der Aa had twee zusters, Hymaina en Adelisa en een broer, Walter. Latere nazaten met de titels van heer van Grimbergen en Gruuthuse waren Jan Van Aa, geciteerd in 1372, senesalk van Brabant, gehuwd met Maria Van Ghistelles. Hij was de zoon van Jan (overleden ca. 1360) en van Margareta Van Dutsel (overleden in 1363).

Hun voorouders kwamen ook voor in de kringen van de eerste hertogen van Leuven. Na de deling van de baronnie van Grimbergen, in 1197, ging dit gebied door huwelijken van de Berthouts, naar twee families. Het ene stuk ging naar de Aa’s. Het andere naar de heren van Perwez, waarvan Godfried, nakomelingen van de hertogelijke familie. Zo kwam de vader van Geeraard van Aa, Leonius, eveneens burchtheer te Brussel, in het bezit van een tiendegebied te Grimbergen. Hij verklaart in 1258 dat hij al het land van Grimbergen, dat hij bezit, in leen houdt van de hertog.

Burchtheren of kastelijnen waren rechtstreekse vertegenwoordigers van de hertog. We vinden er te Brussel sporen van terug vanaf het einde van de elfde eeuw. Ze bestonden ook in het graafschap Vlaanderen. Hun status was erfelijk. In Brabant schijnen ze slechts voor te komen op twee plaatsen: Antwerpen en Brussel.

Om de macht van deze familie ongeveer te bepalen onderzochten we even een aantal gemeenten, voornamelijk gelegen in het Westen van Brabant en het oosten van de provincie Oost-Vlaanderen. De heren van Aa hadden grote bezittingen te Dworp. Ook het plaatsje Pollare was hun bezit. Zij hadden de herenrechten over het kapittel van Anderlecht. In 1266 ondertekende Leo van Aa, heer van Pollare te Sint-Amands de Wet en Vrijheid van Sint-Amands, wat neerkwam op de politieke onafhankelijkheid tegenover de heren van Grimbergen, aan wie hun inwoners tot het einde van 16de eeuw een last verschuldigd waren. Een belangrijk gegeven hier: De rechten van de familie Berthout zijn hier nadien overgegaan naar Adriaan Vilain en dit vóór 1460. Te Itterbeek had de familie verscheidene vazallen. Het allodium Erpe behoorde hen eveneens toe. Te Sint-Pieters-Leeuw hadden zij tijdens de 13de eeuw uitgestrekte bezittingen. De hele heerlijkheid van Lombeek behoorde rond het jaar 1300 aan hun toe. Zij hielden er een schepenbank en pasten het gewoonterecht van Nijvel toe. Een gelijkaardig geval zoals te Zemst dus. Te Zottegem waren de eerste heren verwant met de familie Van der Aa en behoorden tot de hoogste adel van Brabant. Hier schonk Walter Van Aa in 1171 goederen aan een niet nader genoemde instelling of persoon. Te Sint-Kwintens-Lennik bekwamen zij rond 1236 "de bijzondere voogdij". De heerlijkheid en parochie van Zandbergen was op een zeker ogenblik geheel in hun bezit en tenslotte was er te Zaventem een Willem Van der Aa die daar tot 1367 alle rechten had. Na dat jaar gingen deze rechten er over naar de heer van Perwijs.

De "Zemstse" Geeraard Van Aa komt voor in charters tussen de jaren 1283 en 1298. Op 16 december werd hij gerekend tot de milites (ridders) in een acte van Jan I, hertog van Brabant en op 2 augustus 1286 bekrachtigt Guillelmus, bisschop van Kamerijk de toekenning van de tiende van Zemst, gedaan door de nobele heer Geeraard van Aa aan de abt van Ter Kameren. De geregistreerde diverse transacties die hij aangaat volgen hierna.

Op 23 april 1283 laat Geeraard van Aa, heer van Grimbergen, weten dat Walter de Braempt, in zijn gezelschap gekomen naar Zemst, al de feodale goederen die afhangen van zijn domein heeft gegeven ten voordele van de abdij van Ter Kameren, met uitzondering van enkele die van hem bleven tegen een jaarlijkse cijns van 6 Brusselse stuivers, te ontvangen door hemzelf.

In december 1283, geeft dezelfde Walter de Braempt aan de vrouwe van Buggenhout vijf bunderen bebouwbaar land te Zemst hetwelk hij van haar te leen hield, ten voordele van Ter Kameren.

In februari 1290 laat Geeraard, heer van Aa, ridder, weten dat heer Hendrik van Wilder, ridder, in zijn gezelschap naar Zemst is gekomen en drie bunder land heeft gegeven dat hij van hem te leen hield op het Werdenbeemd ten voordele van de abdij van Ter Kameren. Dit is gebeurd in de aanwezigheid van zijn mannen, de schepenen van Zemst en de vrouwe van Buggenhout.

Op 13 mei 1290, laat Geeraard, heer van Aa, ridder, weten dat hij al het recht, dat hij ontvangen had van vrouwe Oda, vroeger gezegd van Roest, heeft gegeven op anderhalf bunder land, gelegen in de parochie van Haecht, ten voordele van Hendrik van Meerbeek, gezegd Balge, die het zal bezitten op dezelfde manier zoals Geeraard het bezat.

In oktober 1291 laat Geeraard van Aa, heer van Grimbergen, weten dat mijn heer Hendrik Van Wilder, zijn leenman en ridder, in zijn gezelschap is gekomen en al de goederen die hij van hem te leen hield in de parochie van Weerde, ten voordele van de abdij van Ter Kameren, heeft gegeven.

Tussen 1291 en 1298 blijkt de auteur van het artikel geen charter gevonden te hebben in verband met Geeraard Van Aa hetgeen nogmaals zou kunnen bevestigen dat de vondst van ons "Zemsts" charter mogelijk een "primeur" is.

Op 20 januari 1298 wordt een akkoord bereikt tussen Jan II, hertog van Lotharingen, van Brabant en van Limburg, Godfried II, graaf van Vianden en Geeraard Van der Aa, de twee laatsten heren van Grimbergen, in verband met hun respectievelijke rechten in het land van Grimbergen.

Geeraard werd ridder geslagen in 1288, vóór of tijdens de slag van Woeringen, zoals Jan Van Heelu het in zijn Rymskronyk vertelt, samen met vele andere, zoals Hendrik Van Wilre en verschillende Berthouts.

Later in de 14de eeuw is er te Zemst nog sprake in verband met transacties van onroerend goed voor het laathof van de heer Van der Aa, namelijk in 1359, 1361, 1368, 1374, 1379 en 1394. Ook te Willebroek bezat deze familie een drossaard (1383). Ze bezaten aldaar een soortgelijke rechtsmacht, minstens vanaf 1286. Geeraard Van Aa, heer van Grimbergen, waarschijnlijk een zoon van onze Zemstse Geeraard uit 1293 en Maria Van Gruuthuse wordt er geciteerd in 1332 met een nuwerbanke. Ook voor het jaar 1307 is er een vermelding.

Zonder enig bewijs hiervan te geven zwermden volgens historicus V. Steurs andere leden van deze familie uit naar Mechelen, waar ze uitgebreide eigendommen bezaten zowel binnen als buiten de stadswallen, voornamelijk op Nekkerspoel.

Een ridder Willem van der Aa uit Zemst, vazal van de Hertog van Brabant Wencelijn, werd gevangen genomen in het jaar 1374 te Basweiler waar de hertog slag leverde tegen de hertog van Gulik.

Onder de eerste leden van het geslacht die we in de tweede helft der veertiende eeuw te Mechelen aantreffen als grondeigenaars bevinden zich ridder Jan van der Aa en ridder Gozewijn van der Aa. Deze laatste was gehuwd met Elisabeth van Hofstade. Hun eigendommen strekten zich uit over Muizen en Hever. Een Geeraard van der Aa was om beurt gezworene, schepen, communiemeester en ontvanger van Mechelen, tussen 1420 en 1430. Hij overleed in het jaar 1448. Een andere Geeraard van der Aa, zoon van Willem, was om beurt schepen, deken , communiemeester en gezworene tussen de jaren 1448 en 1471. Hij was overhoofdman bij de Kruisbooggilde in 1458-1459. Hij overleed in het jaar 1473.

Antoon, zoon van één van beide voornoemden, oefende dezelfde bestuursfuncties uit tussen 1460 en 1475. In 1475 werd hij tot schout aangesteld en bleef het tot in 1490. We treffen hem aan als koning van de kruisboogilde in 1462. Samen met zijn broer Willem van der Aa stond hij in 1478 aan het hoofd van het Mechels leger in de oorlog die Aartshertog Maximiliaan voerde tegen Lodewijk XI, koning van Frankrijk en in 1482 was hij met zijn broer de aanvoerder van het stedelijk leger in dienst van dezelfde Aartshertog in de strijd tegen Lodewijk, graaf van Vlaanderen.

Nochtans bezitten deze Mechelse van der Aa’s een ander wapenschild: geruit van zilver en keel en het vrijkwartier van zilver met een merlette (soort vogel) van zavel. Dit wapenschild werd ook bij gelijknamige families te Antwerpen, Leiden en Den Haag aangetroffen.

De laatste gekende telg, die rechten te Zemst bezat, was Johanna Van Aa. Zij huwde in 1389 met Hendrik Van Boutersem, die men ook Hendrik Van Bergen (de Berghes) noemde omdat hij het land van Bergen op Zoom bezat. Johanna Van Bergen werd in 1418 de vrouw van Jan Van Glimes. De fameuze familie de Glymes verkreeg aldus de rechten die de Aa’s voordien te Zemst genoten.

1301-Antoing

Vermachtelt (Mathildis), de vrouw of weduwe van Hendrik Van Asse, was waarschijnlijk reeds overleden vóór 1301. Zemst was vóór dat jaar nog altijd het middelpunt van twisten tussen Hertog Jan en Elisabeth, dochter van Vermachtelt en Hugo van Antoing, heer en vrouw van Buggenhout. De geschillen handelden wederom over de rechtspraak aldaar. Vanaf het jaar 1301 werd bepaald dat de hertogen en hun erfgenamen de gerechtinge moesten hebben van aan de Boosbrug, aan de grens met Mechelen, tot in Eppegem aan t’huys van de sieckelieden. Deze baan werd toen reeds steenwech genoemd, hoewel sommige geschiedschrijvers beweren dat de weg maar bekasseid was van aan de Boosbrug, inmiddels verdwenen, tot aan de huidige Leopoldstraat. Ook over de Zennebrug bestaat discussie of ze in de Middeleeuwen in hout of in steen was opgetrokken. Hugo en Elisabeth van Antoing waren samen met hun vochtliede wel vrij van tol op deze wegen.

De rol van de zogenaamde hertogelijke schepenbank, die te Zemst zeker zou bestaan hebben vanaf 1321 en volgens anderen vroeger, bleef volgens mij in den beginne beperkt tot de jurisdictie in verband met de Steenweg te Zemst, de Zenne als waterweg, de watermolen, kortom openbare transportmiddelen, van belang bekeken in het geheel van de uitgestrekte hertogelijke instellingen in Brabant. Hetgeen het charter beschrijft is misschien een basis van een eerste hertogelijke "wet" in verband met de Steenweg. Men kan zich misschien de vraag stellen of de hertogelijk schepenbank te Zemst niet is opgericht rond deze tijd, en dat dit charter er een rechtstreeks gevolg van was. In het charter van 1293 is er geen sprake van een derde rechtspraak te Zemst. Beide partijen (Aa-Van Asse) waren trouwens "vazallen" van de hertog. Was een hertogelijke schepenbank vóór 1301 wel nodig? Na dat jaar is ze wel in betekenis toegenomen en heeft ze uitbreiding genomen. In 1321 werden in de hertogelijke cijnsboeken voor Zemst trouwens tal van cijnzen genoteerd. Ze hadden meestal betrekking op land, doch in een bepaald geval ook op een brouwerij en een visvijver. Het was duidelijk dat er dikwijls meningsverschillen waren tussen de heren van Antoing en de hertogelijke macht.

De Sint Peetersmannen, zo genoemd in het charter van 1301, of de mannen van Sint Peeters, waren mannen die cijns betaalden aan de kerk van Sint-Peeters te Leuven. Hun aantal was aanzienlijk, daar zij verspreid woonden over heel Brabant en zo ook bijvoorbeeld te Maastricht, waar er enkele honderden van waren. Zij werden onmiddellijk als eerste in bevel onder de hertog geplaatst. De meysemedelieden van de heren van Grimbergen of Gaasbeek werden als gelijkwaardig geacht met deze Peetersmannen.

Antoing.

Wie was nu in feite Hugues d’Antoing, de nieuwe heer van Zemst? Zijn vader, die dezelfde voornaam had en in de genealogieën Hugo III wordt genoemd, was reeds ridder voor 1265. Hij was heer van Antoing, Espinoi, e.a. en provoost van Dowaai. In dat jaat wordt hij nog de Jonge genoemd daar zijn vader nog leefde. Zijn zegel hangt nog aan verscheidene bewaarde charters. Hij overleed tussen 1301 en 1304.

Zijn zoon, onze Hugo (Hugo IV) werd in 1308 genoemd als ridder, heer van o.a. d’Antoing, Espinoi, enz... Hij werd door zijn huwelijk met Elisabeth Van Asse, Dame van Buggenhout, Eppegem, Zemst en gedeeltelijk Anderlecht met al deze titels begeven. Elisabeth stierf vóór hem vóór 1308. Hij herhuwde Mehaut de Pinkenoy (Picquigny), Vrouwe van Gouy in Artesië e.a.

Hugo stierf rond 1310 en liet uit zijn eerste huwelijk vier kinderen achter: drie zonen en een dochter. Laat ons beginnen met de dochter: Margareta. Haar bestaan is bewezen door een charter van de abdij van Ghislenghien de dato 12 januari 1356 waarin deze dame vermeld wordt als zuster van de overleden heer Hendrik d’Antoing, heer de Bughenhot. Ze werd kanunikkes van het kapittel van Sainte Waudru te Bergen.

Zijn oudste zoon Hugo had met Zemst ook al weinig uitstaans. Hij werd nog heer van Antoing en Espinoi genoemd, maar was ook provoost van Dowaai. Hij was ridder in 1310. Hij wordt in dat jaar immers vermeld in een steekspel te Bergen. Hij huwde voor 1305 Maria d’Enghien, dame van Zottegem, Houdain, e.a., kastelijne van Gent, dochter van Geeraard d’Enghien, ridder, heer van Zottegem en van Maria, erfkastelijne van Gent. Maria d’Enghien werd weduwe in 1315 en herhuwde met de prins Gwijde van Vlaanderen-Dampierre-Bourbon, heer van Richebourg, die zich op 24 juni 1318 de titel van heer van Antoing toeëigende.

Hendrik D’Antoing, heer van Buggenhout en tweede zoon van Hugo, was één van de meest onversaagde wapenbroeders van Jan Van Henegouwen tijdens zijn expeditie naar Bristol in Engeland in 1326. Meer dan 25 ridders die aan deze opdracht deelnamen vertrokken vanuit Dordrecht en begaven zich per boot bij schitterend weer via Zeeland naar de Noordzee, waar ze uit koers werden geslagen door een plots opgestoken windhoos.

Als beloning voor zijn inzet gaf Philippe de Valois voor hem en zijn nazaten zelfs een rente van 200 Parijse livres te leen van de Franse kroon. Philippe Van Valois was een zoon van Karel van Valois, de broer van Philips IV de Schone, die we kennen uit de film de Leeuw van Vlaanderen. Na het overlijden van deze laatste in 1328 was Philips de Valois zijn opvolger als koning van Frankrijk, ondanks de aanspraken van de koning van Engeland, Eduard III. Dit was trouwens de reden van het begin van de Honderdjarige oorlog. Men ziet welke relaties een dorp als Zemst in de middeleeuwen nog had.

De derde zoon, Geeraard d’Antoing, jonker, heer van Eppegem, Zemst, Merchtem en Anderlecht, huwde Mathilde Maes alias Van Leefdale. Van hem is weinig of niets bekend, enkel dat hij op zijn beurt twee zonen had.

Isaac d’Antoing vererfde de titel van heer van Zemst van zijn vader Geeraard. Doch hij was een ziekelijk persoon. Zijn broer Hendrik behartigde zijn belangen, dus ook deze van de bank van Zemst en Eppegem. Isaac hief hier ook belastingen voor de Hertog van Brabant, maar gaf deze rechten tenslotte aan zijn broer Hendrik in 1376, het jaar toen hij waarschijnlijk te ziek was om te Zemst nog ernstig zijn taken te kunnen waarnemen.

Of de Zemstse schepenen Hendrik nog veel te Zemst zagen kunnen we alleen maar betwijfelen als we zijn rijke biografie onder de loep nemen Hij kocht in ieder geval de heerlijkheden Haveskerke en Plaissiet rond 1379 en ontving als beloning voor zijn diensten van Yolanda Van Vlaanderen, Vrouwe van Kassel, het leen Baufremez (tegen Wazemmes). Na het overlijden van Isaac werd Hendrik houder van de naam en van de wapens van het Huis van Antoing. Hij wordt door verschillende geschiedschrijvers als een strijdheld omschreven. Hij vocht aan de poorten van Torhout tegen de Gentse opstandelingen in 1379. Ook te Komen was hij in een strijd verwikkeld. Hij was aanwezig op de overlijdensplechtigheid van graaf Lodewijk, overleden op 28 januari 1382 en op deze van diens vrouw, overleden te Rhétel, vijf jaar vroeger. Deze werden beide begraven te Rijsel in de Sint-Pieterskathedraal. Ook aan expedities tegen de Afrikaanse muzelmannen nam hij deel. Het is bij deze gebeurtenissen dat hij de toen nog jonge Heer De Ligne tot ridder geslagen sloeg. Hij nam deel aan nog een andere expeditie, in 1396, tegen de opstandige Friezen. Het initiatief ging hierbij uit van de graaf Willem d’Ostrevant, erfheer van Henegouwen, Holland, Zeeland en Friesland. Hij overleed op 11 oktober 1397 en werd begraven in de kerk van Estaires. Tijdens zijn leven had hij Maria De Clary gehuwd, erfvrouw van Clary, van Machault en andere. Deze leefde nog in 1417. Zij lieten drie kinderen na, waarvan één zoon.

Ook volgens een boek genaamd het spechtboeck van het Leenhof van Brabant hield later een Ysaac Van Antonie, zoon van Geeraard, rond 1376 thiende van lant en renten tot Zempst, die hij overdroeg aan zijn broer Hendrik. Hij had verder nog een leen te Merchtem. Deze Ysaac d’Antoing bezat te Zemst reeds op 7 december 1359 de rechtsmacht met zijn schepenbank blijkens een akte waarbij de Kiste van het Begijnhof van Jan en Elisabeth Van der Eycken land koopt op de Biesmoortere te Zemst.

Na 1293 komt onze heerlijkheid Zemst dus toe aan de familie Antoing of Van Antonie en deze gang van zaken duurt nog tot flink in de jaren 1380. Hiermee beschreven we aldus de latere erfgenamen van Hugo Van Antoing. We kunnen dus stellen dat de familie Antoing een kleine eeuw de plak mee zwaaide te Zemst en er dezelfde rechten vanaf dat jaar nog bezat.

Deze schepenbank bleef met dezelfde rechten te Zemst nog eeuwen bestaan, namelijk tot in 1796. Het verdrag van 1293 heeft de geschiedenis van Zemst voor de periode 1293-1796 echt ingrijpend veranderd op bestuurlijk gebied. De heerlijkheid met schepenbank kreeg door de eeuwen heen wel verschillende eigenaars en namen. De opvolgers van de schepenbank van Hendrik Van Asse, die later overging in het godshuis van Oliveten worden gedeeltelijk en vluchtig ook in A. Wauters’ werk vermeld.

Van Edingen

De familie Van Edingen was een vermaarde familie met een rijke geschiedenis. Doch deze geschiedenis doofde uit voor het jaar 1500. Er werden zelfs sporen teruggevonden in Italië. Leden van de familie vestigden zich in het koninkrijk Napels. Een geschiedschrijver uit Lecce, Pris Granito di Belmonte, verhaalde dat er in regionale archieven aldaar regelmatig nog documenten opdoken met het écu girroné de Flandre que portait la maison d'Enghien.

De volgende bestuurde te Zemst na de familie Antoing was een zekere Colard Van Edingen, een bastaard, ook wel Colard, Nicole of Nicolas D’Enghien genoemd. Hij werd geboren rond 1346, was ridder, heer van Arbre en Marès en van Wanbroeck. Hij bezat grote landbouwbedrijven te Kestergat, Pepingen en Leerbeek. Hij had dit alles verkregen van zijn natuurlijke vader, Zeger Van Edingen. Hij was maar een gedurende een kleine periode leenheer te Zemst, rond 1388. Hij had deze status gekocht.

Op 7 september 1378 werd hij tot poorter van Brussel benoemd. Hij leefde nog in oktober 1398. Zijn vrouw en nicht Juliana van Beeringen, dochter van Joos, jonkheer,, en van Juliana van Lier, stichtten met hem een jaargetijde te Brussel in Sint-Goedele, doch zij werden begraven in de chartreuse van Hérinnes. Wanneer Colard in het bezit kwam van de schepenbank te Zemst weten we echter niet exact.

Zijn moeder was Elisabeth, alias Jehanne van Lier, genaamd. Zijn vader, Zeger II, ridder, werd geboren rond 1324 en was heer van Edingen in december 1345, graaf van Brienne en van Conversano, duc titulaire van Athene in 1356, heer van Ramerut, Lembeek, Tubeke, enz... Hij kocht in 1361 van Maria van Edingen, gezegd van Braine, gronden te Bassily, in leen gehouden van deze van Edingen. Hij verenigde deze goederen tot dezelfde status.

Hij was in 1348 één van de plénipotentiaires van graaf Lodewijk Van Male om te onderhandelen met de Engelsen, doch daar hij teveel partij koos voor deze laatsten haalde hij zich de woede op de hals van Lodewijk Van Namen. Hij werd zelfs beschuldigd van hem te proberen te vergiftigen. De koning van Frankrijk trachtte hen tevergeefs te verzoenen..

In 1350 kwam hier een proces van voort, gehouden te Bergen, waarin de Engelse koning een rol speelde. Een jaar later werd hij onschuldig verklaard.

Zeger werd vermoord door onthoofding door de hertog Aubert de Baviere op aanstoken van vier ridders. Dit voorval leidde tot een oorlog het kasteel van Edingen op 1 augustus 1365 ingenomen werd. Een paar jaar later gebruikte men in deze streek reeds kanonnen om conflicten uit te vechten.

Zeger was gehuwd met Jehanne de Condet of Condé, gezegd de Morialmez, vrouwe van Landelies, Strépy, enz... waarmee hij één zoon had, Wauter. Buiten Colard had hij nog natuurlijke kinderen met andere vrouwen:
 

- Watiers, jonkheer: Deze liet zijn vrouw, Clara Van Dielbeke, als weduwe achter in april 1381. Een interessant gegeven: hun zoon Antoine, ridder, was heer van Indeveld te Eppegem in november 1437.

- Jehan, ridder, gehuwd met Lysbeth Smuls, werd geciteerd in 1391. Zijn overlijdensdatum is niet gekend.

- Gerars, jonkheer, nam deel aan de slag van Nevele, gevoerd tussen de Gentenaren en het leger van de graaf van Vlaanderen, op 13 mei 1381. Hij werd gedood in een valstrik te Gent, een tijdje later op 18 juli.
 

Engelbert, oom van Colard en broer van bovengenoemde Zeger, geboren rond 1330, was zoon van Wouter III , heer van Edingen en van Isabeau de Brienne, bijgenaamd la belle Helene. Het was zij die het huis Van Edingen belangrijke eigendommen aanbracht. Engelbert was later heer van Rameru, Tubeke, Follie, Faucuwez, Brages, Bogaerden en Leerbeek Hij huwde twee maal: een eerste maal in Gent bij contract van 27-5-1366 met Margareta de Longuevel, Dame Van Nevele en een tweede maal met Maria de Lalaing, met wie hij begraven werd in de abdij van Cambron. Engelbert overleed op 12-2-1402, zijn vrouw op 16-12-1416. Hij had een zoon die op 19-1-1414 huwde met ene Maria d'Antoing.

Hij hielp de Hertog van Brabant de Leuvense rellen te bestrijden in 1383 en Lodewijk Van Male gaf hem, bij brief van 30 april 1364, de administratieve leiding over de goederen te Vlaanderen, die eerder toebehoord hadden aan Zeger Van Edingen.

Op 28-12-1383 verkreeg Engelbert delen van domeinen die de familie Van Edingen in leen hadden van de hertogen van Brabant: Tubeke, Brages, Beringhen en Bogaerde.

Zijn broer Jan werd graaf van Liches genoemd, een andere broer Lodewijk graaf van Conversan. Deze laatste bevond zich in 1364 in het koninkrijk Napels.

Het domein of kasteel Follie hing af van de heerlijkheid Edingen. Het is rond 1365 dat het kasteel van Follie opduikt in de geschiedenis van de Van Edingens. Het staat in een manuscript dat Engelbert Van Edingen Follie kocht in 1366.

Tijdens zijn jonge jaren was hij een bekwaam en krijgslustig strijder, doch naarmate hij verouderde en rijper werd, taande ook zijn aggressie. Hij gaf aan zijn broer Guy mediterrane (Griekse?) gebieden, die hem vroeger toebehoorden, zoals Argos, Neapolis (Naugion) en Keverion. In ruil verkreeg hij de heerlijkheid Rameru, waar hij zijn voornaamste residentie installeerde.

Hij verkocht aan Jan Van Heyenbeke, poorter van Mechelen, op 2 december 1388 bepaalde leengronden te Zemst, die hij kreeg bij uitwisseling tegen goed onder Raimboucourt. De rechten van Zemst gingen iets later over naar deze Jan Van Heyenbeke. Raimboucourt werd eerder te leen gehouden door Hendrik d’Antoing, kozijn van Engelbert. De verkoopsom bedroeg 236 Brabantse peeters en 18 Vlaamse Groten. De som werd door Jan Van Heyenbeke volledig betaald aan Hendrik Warnez, wisselaar, verblijvend te Brussel.

Toen Wauter van Edingen stierf in 1381, kwam Engelbert in het bezit van de stad en het kasteel van Edingen, doch verspeelde het reeds in 1382.

De verwantschap met de familie Antoing verloopt langs zijn zoon Engelbert II. Deze huwde met Maria d’Antoing op 19 januari 1415. Zij was dochter van Hendrik en Maria de Clary. Henri d’Antoing, zoon van Geeraard, was heer van Haveskerke en Briffeuil. Deze Henri (°±1350 _1396), die zich rond 1390 onderscheidde in gevechten tegen de Sarracijnen in de Middellandse Zee, liet drie dochters waarvan Maria d’Antoing. Een aantal generaties vroeger was er ook al eens een verwantschap Antoing-Enghien geweest. Maria d’Enghien, die ook tot de stamboom behoorde, huwde vóór 1305 reeds Hugo d’Antoing, zoon van Hugo, de man uit de charters, en Elisabeth Van Asse.

Van Heyenbeke.

De volgender eigenaar was dus Jan Van Heyenbeke, zoon van Jan. Hij verwierf de heerlijkheid door aankoop rond 1389. Het was een vermaarde Mechelse familie, die nochtans ook banden had met Brussel. Vader en zoon waren poorters van Mechelen.

In de zuidwaartse zijbeuk van de Onze-Lieve-Vrouwekerk werd de voormalige kapel van het Heilig Kruis gesticht door een Christoffel Van Heymbeke, ridder, die hetzelfde wapen droeg.

Op 24 augustus 1356 verleende Lodewijk II Van Male, graaf van Vlaanderen, aan zijn vader, eveneens Jan Van Heyenbeke, amnestie samen met andere Mechelse poorters. Hij had te Brussel de wapens tegen hem opgenomen in dienst van Wenceslas, hertog van Luxemburg en Brabant. Ze moesten beloven nooit meer de wapens tegen hem op te nemen en ten alle tijde in zijn dienst te staan.

Jan Van Heyenbeke (vader) was tevens een beleidsfiguur te Mechelen. Hij wordt vermeld als deken van het Wollewerck vanaf 22-8-1379, als schepen van de stad vanaf 18-8-1382, 22-8-1384, 22-8-1390 en 16-8-1395. Een periode is hij gelijkertijd schepen en ontvanger: vanaf 20-8-1386. Het hoogtepunt van zijn carrière op bestuursniveau te Mechelen is vanaf 17-8-1388, toen hij als communemeester werd beëdigd. Hij was ontvanger vanaf 16-8-1389.

Op het stadsarchief te Mechelen berust een afbeelding van zijn zegel uit het jaar 1388, toevalig het jaar toen hij communemeester was.

Toen de kiste van het Groot Begijnhof te Mechelen in 1402 van Margareta van Repelmonde en haar man Gillis Van Louven 5 dagwand land kocht te Zemst op de Biesmoortere, gebeurde dit voor zijn schepenbank te Zemst. In een schepenbrief van Leuven gedateerd 10 oktober 1418 belooft hij aan Jan Raes, voor de goederen vermeld in een schepenbrief, als borg op te treden zo hem iets te kort wordt betaald.

Raes

Na Jan Van Heyenbeke bestuurde Godevaert Raes de heerlijkheid Zemst in het begin van de 15de eeuw. Hij had een dochter Goedele die vóór 1427 met Jan Vilain zou huwen. Zijn dochter Goedele werd wat Zemst betrof later zijn opvolgster. Onder zijn schepenbank koopt Jan Schoof op 8 december 1421 van Jan van Redelghem en van Willem van Oppem grond naast de Biest onder Zemst.

Godevaert Raes was gelijkterijd heer van Zemst en kanselier van Brabant. Dit kanselierschap bestond, te Brabant althans, niet vóór de XVe eeuw. Mogelijk kan Godevaert Raes de eerste kanselier van Brabant geweest zijn. De functie werd alleszins gecreëerd onder het beleid van Johanna, in de periode dat ze reeds weduwe was van Wencelijn. De functie ontwikkelde zich verder onder Antoine van Bourgondië, eveneens in de XVe eeuw. De kanselier legde, samen met zijn raadsheren en de officier de eed af voor de Staten van Brabant. In Brabant was de kanselier de enige oppervoorzitter van de Raad. Hij overhandigde aan de grote kanselarij smeekbrieven in verband met criminele zaken. Hij had een zegel die hij moest aanbrengen op het merendeel van de officiële akten, voorbestemd om in Brabant uitgevoerd te worden. Hij had de voorname taak van het bewaren van dit zegel van Brabant. Het werd aangebracht op alle edicten die betrekking hadden op het hertogdom. Deze edicten waren in overeenstemming met de principes van de Blijde Intrede.

Govaert Raes was gehuwd met Mabille Vyts, dochter van Nicolaes, heer van Pamel. Haar broer Joost Vyts gaf opdracht aan de gebroeders schilders Van Eyck om voor de Sint-Bavokerk te Gent de Aanbidding van het Lam te schilderen, een meesterwerk van de Vlaamse Primitieven. Jan Van Eyck schilderde ook het portret van Joost Vyts. Dit werk hangt momenteel te Wenen, in de Belvedere-galerij. Deze beschermer van de kunst had met zijn vrouw, Isabella Borluut geen kinderen en zijn erfenis ging over naar zijn nicht Goedele Raes.

Het wapen van de familie Raes lijkt op dat van de Berthouts. De kleuren zijn onbekend. Boven links in het hoekje bezit het nog een lelie.

Vilain

De stamboom van de familie Vilain gaat terug tot in 1299. De vroegste voorouders van deze familie waren heren van Zottegem, Sint Jan Steen en Bouchout.

Reeds rond 1440 was Jan Vilain heer van Zemst. Hij verkreeg deze titel door zijn huwelijk met Goedele of Gudula Raes, wiens vader, Govaert Raes, voordien reeds heer van Zemst geweest was. Hij werd vanaf 25 december 1445 eveneens heer van Burcht en Zwijndrecht. Jan Vilain was een dapper ridder en onderscheidde zich in de diverse veldslagen waaraan hij deelnam. Jan Vilain was niet alleen heer van Zemst, Burcht en Zwijndrecht, maar ook van Huise, Pamele en Ledeberg. Hij overleed op 8 juni 1449, zijn echtgenote overleed op 11 augustus 1460. Het koppel werd in de kerk van Burcht begraven met volgende randtekst in de graftombe:
Hier leit Jan Vylain
ridder, heet van Huyse, van Pamele
 


van Leeberghe, van Borcht ende
Zwijndrecht, diesterf int jaer
XIIIIcXLIX, VIIIe daghe in Junii
ende vrouwe Goeyele Raes, zijn
ghesellinne wijlen was, die
sterf int jaer XIIIIcLX, Xie daghe in Oegst



Op het grafschrift wordt niet meer vermeld dat hij heer van Zemst was. Zijn zoon Godevaert had deze titel immers in 1450 overgenomen. Wat betreft Burcht en Zwijndrecht werd Jan Vilain waarschijnlijk opgevolgd door zijn gelijknamige zoon. Deze overleed korte tijd nadien zonder wettige erfgenamen na te laten. Zijn jongere broer Christoffel werd in de heerlijkheid van Burcht en Zwijndrecht verheven, ten laatste in 1456.

Christoffel Vilain had een natuurlijke zoon, Lancelot, verwekt bij Zoete van Hulsen. Deze bastaardzoon werd, zoals dat gebruikelijk was in deze periode, niet verstoten. Integendeel, hij werd bedacht met een deel van zijn erfenis. Op 8 april 1461 schonken Christoffel Vilain, zijn broer Godfried, heer van Zemst, en zijn schoonbroers Jan van Montmerency en Adriaan van Kruiningen, als beheerders van de hospitaalstichting van Judocus Vydts en Isabella Borluut, deze stichting aan de Wilhelmieten. Het was het begin van de vestiging van het Wilhelmieten-klooster te Beveren. In 1474 wisselde Christoffel het tijdelijke voor het eeuwige. In zijn testament van 24 januari 1474 drukte hij de wens uit om begraven te worden in de Burchtse kerk nabij zijn vader en moeder. Hij begiftigde deze kerk met een kapelanie, schonk stichtingen aan de H. Geesttafels te Burcht, Zwijndrecht en Lillo. Hij gaf nog een kleine bijdrage, boven een reeds gedane, om het koor van de St. Martinuskerk verder af te maken en om een venster met het wapen van zichzelf en zijn echtgenote in dit koor te plaatsen. Zijn testament voorzag tevens in een geldelijke bijdrage voor het herstel van de kapel op het Veer (Vlaams Hoofd). Het testament werd pas vanaf 1478 uitgevoerd. Omdat Christoffel geen wettige nakomelingen had - of ze waren vóór hem overleden - kwamen Burcht en Zwijndrecht na zijn dood toe aan zijn jongste broer Godfried, ook wel Godevaart of Govaart genoemd.

Godfried Vilain deelde aanvankelijk de heerlijkheid met de weduwe van Christoffel, die hertrouwde met de markgraaf van Antwerpen. In 1477 werd de heerlijkheid korte tijd in beslag genomen omdat ze de paarden niet leverde toen de Vlaamse graaf weer eens een veldslag ging leveren. Toen Godfried Vilain 2 van de 4 paarden opbracht werd deze confiscatie opgeheven.

Godfried Vilain, gehuwd met Elisabeth Van Immersele, overleed zonder kinderen op 23 februari 1482. Reeds op 1-9-1450 werd hij heer van Zemst. Hij was reeds in 1454 bedrijvig in transacties van goederen te Putte. Hij werd begraven in het Mechelse begijnhof. Deze heer van Burcht, Zwijndrecht en Zemst liet zich opmerken door zijn liefdadigheid. Zo stichtte hij onder meer, samen met zijn echtgenote, het klooster van de Arme Klaren en het godshuis voor bejaarde mannen de berg van Oliveten te Mechelen. Pas na zijn dood werd de heerlijkheid van Burcht en Zwijndrecht verheven in zijn naam door zijn zuster Goedele, als erfgename van Godfried.

Dit godshuis werd gesticht door Godevaard Vilain in 1481. Deze vooraanstaande edelman was heer van Huise, Burcht, Zwijndrecht, Zemst en Pamele. Hij was het vierde kind, uit een gezin van minstens zes, van Jan Vilain. Deze Vlaamse ridder uit het Gentse onderscheidde zich in diverse veldslagen. Zijn broer Adriaan was heer van Sint-Jan-Steen en voogd van Temse. In 1445 kocht Jan de heerlijkheid Burcht en Zwijndrecht van de familie van Kets, die dit leen reeds sinds 1281 bezat. Jan Vilain had zoals gezegd minstens zes kinderen die de volwassen leeftijd bereikten. Minstens drie daarvan huwden met partners uit de hoogste adelijke kringen met name Jan met Margareta van Gruuthuse, uit het wel bekende Brugse geslacht, Godfried of Godevaard met Elisabeth van Immerseele, uit een geslacht dat rond 1381 ingevolge zijn financiële aktiviteiten aanspraak kon maken op de totaliteit der inkomsten uit het Land van Mechelen, en Goedele, die huwde met Jan II de Montmorency, zoon van één der meest vooraanstaande vertrouwelingen van de Franse koning Karel VII en door zijn vader onterfd omdat hij samen met zijn broer de partij van Karel de Stoute had gekozen.

Deze Montmorency’s werden in Frankrijk gerekend als onmiddellijk volgend in rang op de prinsen van den bloede. Jean II werd in de Nederlanden de stamvader van de graven van Horn (niet Hoorn) uit het geslacht Montmorency, ten eeuwigen dage beroemd dankzij de dood van Filips, die samen met Lamoral van Egmond in 1568 te Brussel werd onthoofd. Deze Filips van Montmorency, graaf van Horn, was op deze wijze een achter-achterneef van de Godevaard Vilain, die ons hier bezig houdt, als stichter van het Olivetengodshuis.

Godevaards vrouw Elisabeth van Immerseele stichtte trouwens ook het Mechelse Arme Clarenklooster (zie aldaar) in hun woning op de Melaan, nadat zij daar eerst, als pendant van Oliveten - dat uitsluitend voor mannen bestemd was - een godshuis voor oude vrouwen had willen stichten. De familie Van Immerseel alias van Lier bezat reeds in de 13de eeuw het hof te Meysse. Haar voorouders waren ook heren van Wommelgem. Een broer van Elisabeth, Arnout studeerde te Parijs in 1447.

Goedele Vilain, weduwe van Jan van Montmorency, werd gedurende een korte tijd vrouwe van Burcht en Zwijndrecht. Zij overleed reeds in 1483. Haar zoon Jan van Montmorency werd op zijn beurt in de heerlijkheden verheven.

Volgens aantekeningen uit een oud kwartierstatenboek zou het wapen van Jan Vilain in tweeën gedeeld zijn. Het bovenste deel is van een andere kleur (waarschijnlijk zilver) als het onderste deel (waarschijnlijk zwart). Boven links staat eigenaardig genoeg in het klein een kopietje van het wapen van de familie Grimbergen-Asse. Op een andere schets staat het er dan weer niet.

Zemst en het Leenhof van Brabant.

De archieven van het Leenhof van Brabant, te Brussel in het Rijksarchief berustend, geven ons een duidelijk beeld wat na 1293 met onze heerlijkheid qua bestuur gebeurde. In het zogenaamde Spechtboek staat duidelijk wie de machtshebbers waren te Zemst. Dit boek dat opgesteld werd door de griffier (notaris of klerk) van de hertog en hertogin van Brabant, Nicolaes Specht, draagt als titel: Dit is dboec van den leenen des hertogen van Brabant... De lenen hierin behandeld waren gelegen in Brabant, Over-Maas, Limburg, Rode, Dalhem, Spremont, Wassemberg, Gulik en Kerpen. Nicholaes Specht had ongeveer 30 jaar in het hertogelijk hof gewoond en het boek gedurende 25 jaar bijgehouden. De lenen die erin beschreven werden waren verzameld uit oude rollen en oudere boeken zoals dat van de vorige griffier Jan Stoot en verder uit allerhande brieven en notities. Het originele Spechtboek is opgesteld in 1374. Alle lenen in voormelde gebieden zouden erin behandeld zijn.Het eigenlijke opzet van dit register was aanduidingen geven van verhef en mutaties van de lenen met vermelding van hun opeenvolgende bezitters. Het boek werd bijgehouden tot in het midden der 15de eeuw. Het bevat een zeer summiere index op plaatsnamen. Het bevat ook vermeldingen van lenen waarover onzekerheid bestond.

Van dit boek zou er bovendien nog een verzorgde kopij in het Algemeen Rijksarchief te vinden zijn in een andere verzameling. Zie hier een fragment uit de citaten handelend over Zemst:
 
 
 

- Godevaert Raes, bij coope, hout van heerlyckheyt tot Zempst gelegen te weten een bank met meier en schepenen met achttien mannen van leen daer toebehoren met eene chijnse jaerlyckx weert synde 23 ponden 5 schellingen... Godevaert Raes leefde rond 1418.

- Vrouwe Goedele Raes, Godevaerts dochter bij coope;

- Godevaert Vilain, Janssone, ridder, bij dood van Goedele Raes, zijn moeder, op 1-9-1450.

- Vanaf 27-2-1481 (datum van dood van Godevaert Vilain) ging het leen over naar het godshuis van Oliveten, doch de heren bleven en handelden in de naam van het godshuis; Joannes Van Steene, bij doode van Heer Godevaert Vilain, ridder, uyt crachte van syn testament;

- Hendrik De Vlieger (25-6-1528), bij dood van Joannis Van Steene;

- Philips Schooffs, wettelycke soon here Philips, ridder, bij doode van Henrick De Vlieger tot behoef des godshuis (27-1-1545).
 
 
 

Vanaf 1481 spreekt men dus van de heerlijkheid van Oliveten. In het begin van de zeventiende eeuw werd een Memorie van gerechtichheyt die het Goidtshuys van Oliveten is hebbende binnen Sempst opgesteld. Hierbij ziet men weer exact dezelfde rechten als uit het document 1293 weerkeren.

De periode 1400-1440.

In de 15de eeuw was Zemst een plaats waar belangrijke personen uit het Brabantse kwamen onderhandelen met evenzeer hooggeplaatsten uit Mechelen. Afgevaardigden uit Leuven werden dikwijls op zending gestuurd om te onderhandelen en werden hiervoor vergoed op twee manieren: ofwel werden ze betaald naar binnenlands of buitenlands tarief. Het buitenlands tarief werd toegepast wanneer ze zich begaven naar Vlaanderen, Holland, Duitsland of Mechelen. Het binnenlands tarief was geldig wanneer ze zich naar het noorden verplaatsten tot bezuiden het gebied Rupel-Dijle-Demer zelf. Doch wat zien we: ook lieden die zich naar Zemst begaven kregen een porcie van buten lands, een terugbetaling naar buitenlands tarief. Zemst werd dus tot het buitenland gerekend. Dit is op zijn minst eigenaardig te noemen.

Zemst was ook een onderhandelingsplaats. Op 31 juli 1411 begaven vertegenwoordigers van Leuven en Brussel met de drossaard van Brabant zich naar hier om er te onderhandelen met afgevaardigden van Mechelen over de in beslagneming van goederen, toebehorend aan de Brusselaars en de Leuvenaars, door de Mechelaars.

Laten we niet na tenslotte nog even te vermelden dat Zemst voor een deel, het zuid-westen, op bestuurlijk gebied 15de eeuw in het kwartier Grimbergen was begrepen. De heer van dit deel was Philips de Glymes. Naar deze familie is het huidige wapenschild van Zemst gekozen, terwijl het eigenlijke centrum van Zemst, met tal van omstreken, ook te Weerde en Eppegem, onder de heerlijkheid Van Asse-Antoing-Edingen-Van Heyenbeke-Raes-Vilain-Godshuis van Oliveten viel. Dit werd later in de 16de eeuw het zogenaamde territoir van Oliveten genoemd.

Rond 1440 had Zemst nog steeds de eer drie schepenbanken te bezitten - dit zou zo blijven tot in 1796 - : ...Inde bancke van Zempse soo sijn drije heren te weten onsen genaen heere den hertoge van Brabant, joncker Philips [Glymes] voorschreven ende heer Jan Vilain die elck daer hebben een volle banck van meyer, schepenen oft lathen. Philips de Glymes had een meier met 7 laten. Daertmee hij heeft (heft) syn besindere eerde... Hij bezat de hoge, middenste en lage rechtsmacht. Aan het einde van de 16de eeuw bezat het godshuis van Oliveten te Zemst, Weerde en Eppegem en daer omtrent de lage rechtsmacht, uitgeoefend met een schepenbank met meier en schepenen en 18 leenmannen.

Conclusie

Wellicht is het nu de tijd om een kleine conclusie te trekken op basis van onze twee charters. Vóór 1293 en zeker in 1283 bestond er te Zemst slechts één schepenbank: deze van Hendrik Van Asse. Op 11 juni 1293 werd de rechtsmacht in twee gesplitst. Geeraard van Aa kreeg de hoge rechtsmacht. Deze schepenbank evolueerde later tot de zogenaamde schepenbank van de heren van Grimbergen. Op 11 juni 1293 is er van Hendrik van Asse geen sprake meer, hij is zonder meer overleden, hoewel zijn zegel nog gebruikt werd in 1298. Zijn vrouw Vermachtelt wordt nog wel vermeld, waarschijnlijk is ze oud. Haar schepenbank heeft lagere rechtsmacht, doch haalt financieel de bovenhand en bestuurt Zemst van dichtbij, hoewel deze van Geeraard van Aa er een vierde van de boeten heft. De schepenbank van Aa of later deze van de heren van Grimbergen kwam slechts te Zemst tussen voor ernstige gevallen. Zij bestuurde Zemst vanop afstand. De echte, te Zemst zetelende schepenbank, was deze van Hendrik Van Asse later evoluerend tot deze van Oliveten. Een derde jurisdictie, deze van de hertogen, is slechts van toepassing op gebied van transportmiddelen doorheen Zemst, zoals de Steenweg en de Zenne. Later namen haar bevoegdheden en toe. Haar bezittingen kunnen natuurlijk reeds van oudere datum zijn.

Bijlage 1: Scheijdinge en deijlinge van Zemst anno 1293
 
 
 

  1. WIJ JAN VAN RODE HEERE VAN
  2. INGELMUNSTER ENDE GEERAERT
  3. HEERE VAN RODE ENDE VAN MELLE
  4. RIDDERE SEGGHEREN ENDE VRIENDELIKE
  5. EFFENEREN TUSSCHEN MIN
  6. VROUWE VERMACHTELTEN VRAUWE
  7. VAN BUGGENHOUT ENDE
  8. MINE VRAUWE VERLISEBETTEN
  9. HAERE DOCHTERE JOUFFVROUWE
  10. VAN ANTHONIE ENDE MYN HEERE
  11. HUYGEN VAN ANTHONIE HAEREN
  12. WETTIGHEN MAN PARTYE ANE
  13. ENE SIE ENDE MIN
  14. HEER GEERAERT VAN AA
  15. HEERE VAN GRIMBERGHEN PARTYE
  16. AENDANDERE ZYDEN ALSE VAN
  17. GHEMEYNE GOEDEN VAN SEMPSE
  18. ENDE VAN BUGGENHOUDT ALSOO
  19. VANDE TWISTE VAN LANSCHAPPE
  20. VANDE VOORSCHREVEN GUEDEN
  21. MAECKENDE CONDT ALLEN DEN
  22. GENEN DIE DESE LETTEREN SULLEN SIEN OFT
  23. HOOREN LESEN DAT WY ONSE
  24. SEGGEN NAEBESOECK DAT WY GEHOUDE
  25. HEBBEN DAT DAER OP GEDAEN WAS
  26. SEGGEN INDER MANIEREN DAT HIER
  27. NAER VOLGHT DAT IS MYN
  28. VRAUWE VERMACHTELT DIE VOORS
  29. IS ENDE MYNE VRAUWE ELISEBETH
  30. HAERE DOCHTERE ENDE MYN
  31. HEER HUGO HAEREN MAN WETTIGE
  32. HOIRE SULLEN HEBBEN TE SEMSCHE
  33. OPT GHEMEYNE GOET BEDRYVEN
  34. ENDE DOEN BEDRYVEN MET HAEREN
  35. CNAEPE MET HAEREN SCHEPENEN
  36. ENDE METTEN WET ALLE DE
  37. MESDADEN DIE VALLEN OFT
  38. VALLEN MOGEN BININDER PROCHIE
  39. VAN SEMPSE SONDER DE HOOGE
  40. RECHTEN ENDE ALLE DE MESDADEN
  41. DIE GHEWIST WORDEN OFT
  42. GHEGROET MET SCHEPENEN
  43. DAERAFF MOET MYN VRAUWE
  44. GHEVEN MYN HEEREN GEERAERT
  45. OFT ZYNEN HOIR TFIERDENDEEL
  46. ENDE DIE DRYE DEELEN BLYVEN
  47. HAERE SELVEN VRYLYCK &
  48. HAEREN HOIR VOORT ALLE DE
  49. MESDADEN DIE TE WILLEN
  50. STAEN DIE MOET MEN TEGHEN
  51. MINE VRAUWE TEGHENS
  52. HAEREN HOIR VERDINGHEN ENDE
  53. DAERAFF SYNSE SCHULDICH TE
  54. NEMENE REDELYCK DINCK
  55. ENDE DAERAFF IS SCHULDICH TE
  56. HEBBENE MYN HEERE GEERAERT
  57. TFIERDENDEEL GHELYCK DEN ANDEREN
  58. ENDE OVER HET VERDINGHEN
  59. ENDE HEEFT MYN VOORSCHREVEN
  60. VRAUWE NOCH HAER HOIRS NINENE
  61. TE ROEPENE ZY EN WILLENT
  62. DOEN NOCH EN MACH NIMAN COMEN
  63. SY EN SY VAN HAERE HALVEN
  64. OFT HAER HOIR DAERTOE GHEROPEN
  65. VOORT SEGGHEN WYE DAT DIE
  66. HOOGGERECHTE SYNS MYNS HEER
  67. GEERAERTS VAN AA ENDE SYN
  68. HOIRS ENDE AL DAT VANDE
  69. HOOGHE GHERECHTE VALLET OFT
  70. VALLEN MACH IN DIEN PROCHIE
  71. VAN SEMPSE ENDE AL DAT MEN
  72. NAER DUSAGE VAN BRABANDT ENDE
  73. NAER RECHT TE HOOGHENGERECHTE
  74. TRECKEN MACH DIT ES TE
  75. VERSTAENE WAER DAT SAECKE
  76. DAT IMYN VERBOIDEN INDE PROCHIE
  77. VAN SEMPSE DAER MYN HEERE
  78. GEERAERT DE HOOGHERECHTEN L BEHOORDE
  79. HADT HY GOET BINNEN DYEN VOORS
  80. HERSCHAPPE DAT ES MYNS HEER
  81. GEERAERTS GHEHELICKE ENDE ALWAERT
  82. OOCK DAT SAECKE DAT MEN
  83. DIE GOEDT HADDE BINNEN DER
  84. PROCHIE VAN SEMPSE ENDE
  85. ALDAER MYN HEERE GEERAERT
  86. THOOGHE HEEFT SYN LYFF BUERDE
  87. BUYTEN DYEN VOORS HERSCHAPPE
  88. VAN SEMPSE ENDE MYN
  89. HEER GEERAERT DIE NYET
  90. GECRIGHEN EN MOCHTE NOCH
  91. EN CONSTE LEVENDE OFT
  92. DOOT ENDE HIER NYET OVER EN
  93. RECHTE HADT HY DUET BINNEN
  94. DEN GEMEYNEN HERSCHAPPE SOO
  95. SOUDE MYN VROUWE ENDE HAIR
  96. HOIRS HEBBEN DIE DRYE DEEL VAN
  97. DYEN GUEDE ENDE GEVEN MYN
  98. HEER GEERAERT ENDE ZYN HOIR
  99. TFIERDENDEEL HEVET HY HUSE BINNEN
  100. DIEN HERSCHAPPE DAT GAET AEN
  101. MYN HEERE GEERAERT ALLEENE
  102. GHELYCK DEN HOOGHE GHERECHTE
  103. ZYNEN WILLE MEDE TE DOEN
  104. VOIRT VANDEN TWISTE VAN
  105. BUGGENHOUDT OFT MYN HEER
  106. GEERAERT VAN AA MOCHTE
  107. DINGHEN VAN ZYNEN ZONDERLINGE
  108. GUEDE MANEN ENDE WAERHENDE
  109. DOEN OPT KERCKHOFF VAN BUGGENHOUDT
  110. ENDE OP DIE PLAETSE VOOR DYEN
  111. KERCKHOFF SOO SEGGHEN WY
  112. DAT MYNE VOORSCHREVEN HEER
  113. GEERAERT VAN AA DINGHEN
  114. MANEN ENDE WAERHENDE
  115. DOCH MACH OP DYEN VOORSCHREVENEN
  116. KERCKHOFF ENDE OP DIE VOORS
  117. PLAETSE NAEBESOCH DAT WY
  118. VERHOORT HEBBEN VOORTS SEGGHEN
  119. WY DAT ALLE DIE STUCKEN DIE
  120. VORELCKENDEN ZYN ENDE VOORE
  121. GHEDAEN VAN DYEN VOORS
  122. GUEDE TEGHEN WYEN DATSE
  123. GHEEFTET ZYN VERDINCK
  124. ZYN OFT GHEDAEN TOT OPDEN DACH
  125. VAN HEDEN DAT ZY GHESTAEDE
  126. BLYVEN DIT SEGGHEN DAT SEGGE
  127. WY TE HOUDEN DEN PARTYEN OPDE
  128. PAINE VAN VYFFHONDERT
  129. PONDEN PARISISEN DIE ENE HELLICHT
  130. THOS HEREN BEHOEFF VAN DE LANDE
  131. ENDE DANDERE HELLICH TEN PARTYEN
  132. BEHOEFT DIE TSEGGHEN WEL
  133. SCELDEN ENDE AL VOOR DE
  134. PAINE VERBOTH VAN DYEN PARTYEN
  135. NOCHTAN WILLEN WY DAT SEGGHEN
  136. GOET BLYVE ENDE GHESTAEDE
  137. ENDE IN DEILINGHENDE VAN
  138. AL DESE VOORSCHREVEN STUCKEN
  139. ENDE OM DAT WY WILLEN DAT
  140. ZY GOET BLYVEN ENDE GHESTAEDE
  141. HEBBEN WY AEN DESE LETTEREN
  142. PRISE PROPRE ZEGHELE GHEHANGEN
  143. ENDE WY VERMACHTELT VOORS
  144. VROUWE VAN BUGGENHOUDT
  145. ENDE VERLISEBETH JOUFFVR
  146. VAN ANTHONIE HAERE DOCHTER
  147. ENDE MYN HEER HUGO VAN
  148. ANTHONIE HEUR MAN & WY
  149. GEERAERT VAN AA WELLECOREN
  150. ENDE GHELOVE DIT VOORSCHREVEN
  151. SEGGHEN EEUWELYCK BY ONSEN
  152. PROPREN WILLE ENDE SONDER
  153. BEDWANCK VASTE PAISENWELYCK
  154. ENDE VASTELYCKE TE HOUDENE
  155. OP DE VOORSCHREVEN PAINE GHELYCK
  156. DAT VOOR VERCLAERT ENDE
  157. BESCHREVEN IS ENDE BIDDEN
  158. VOORT EN EDELEN MAN ENDE EN
  159. HOOGHEN ONSEN HEERE MYN HEERE
  160. JOANNE BYDEN GRATIEN ONS HEEREN
  161. HERTOGE VAN BRABANDT LOTRYCK
  162. ENDE VAN LIMBORCH DAT HY
  163. ONS DIT VOORSCHREVEN SEGGHEN
  164. GHELYCK DAT GHESEEGHT IS &
  165. IN DESEN CHARTRE BESCHREVEN MET
  166. ONS ENDE MET ONSEN GOEDEN ENDE
  167. OP DE PAINE OCHTE WIRE HET
  168. GELUGINGHEN IN IET OFT IN AL
  169. VASTE DOCH HOUDEN ENDE
  170. WY JAN BY DEN GRATIEN ONS HEER
  171. HERTOGHE VAN BRABANDT LOTRYCK
  172. ENDE LIMBORCH ONS DIE BEDE
  173. VAN BEYDE DES PARTYEN GELOVEN
  174. WY ALS HEERE DIT VOORSCHR
  175. SEGGHEN TE DOEN HOUDEN GHEL
  176. DAT WAERE GESCHEYT IS &
  177. IN DESEN CHARTRE BESCHREVEN
  178. ENDE IN OORCONSCHAPPE VAN DES
  179. VOORSCHREVEN STUCKEN WEL
  180. TE DOEN HOUDEN HEBBEN WY
  181. ONSEN ZEGHELE GHEHANGEN
  182. AEN DESE CHARTRE MET DEN
  183. ZEGHEREN ZEGHELE MYNS HEER
  184. JANS VAN RODE ENDE MYNS
  185. HEER GEERAERTS VAN RODE
  186. & MET DEN PARTYEN SEGELE
  187. DIT SEGGHEN WAS GHESEYT
  188. ENDE GHDAEN INT JAER ONS
  189. HEERE DUYSENT TWEEHONDERT
  190. ENDE DRIENTNEGENTICH IN
  191. BARNABAS DAEGE APOSTELS &
  192. WAEREN VUYTHANGHENDE SEVEN
  193. SEGHELEN MET DOBBELEN STEERTEN
  194. ONDER STONT GHECOLLATIONEERT ZYN
  195. ORIGINAL VAN DATE BESEGHELT ALS
  196. BOVEN IS DESE COPIJE DAER MEDE
  197. CONCORDERENDE BY NOTARIS INDEN
  198. RAEDE VAN BRABANDT GEADMITTEERT
  199. QOUD ATTESTOR ONDERTEECKENT MR.
  200. QUYSTHOUDT NOTARIS PUBLICQ

  201.  

     
     
     
     
     
     
     
     
     

    Bijlage 2: Translaet van charter betreffende Zemst uit 1301
     
     

  202. AEN ALLE DEGHENEN DIE DESEN TEGUWOORDIGHE BRIEVEN SULLEN SIEN
  203. WIJ JAN DOOR DE GRATIE GODTS HERTOGHE VAN LOTRIJCK
  204. VAN BRABANT ENDE VAN LIMBOURG ZAL HUGO DANTOINGUE
  205. HEERE ENDE ELISABETH SYNE HUYSVR[OUWE] VROUWE VAN BUGHENHOUT
  206. DOEN TE WETEN DAT OP ALLE GESCHILLEN ENDE EXTENTIEN DIE WELCKE
  207. HEBBEN GEWEEST TUSSCHEN ONS JAN HERTOG VOORGEN[OEMD] VAN
  208. TEENDER ZEYDE HUGO ENDE ELISABETH HEERE ENDE VROUWE VAN
  209. BUGGENHOUT VAN D’ANDER ZEYDE VAN ONS GERECHTINGE
  210. TOT ZEMPSE TOT OP HEDEN [.] WIJ SIJN V[ER]ACCORDEERT IN DESEN MANIEREN
  211. ALS HIERNAER GESCHREVEN [.] T’IS TE WETEN DAT WIJ JAN
  212. HERTOG VOORGESEYT ENDE ONSE HOIREN MOETEN HEBBEN ALLE GERECHTINGE
  213. TUSSCHEN DE BRUGGE GENAEMPT BOOSBRUGGE ENDE T’HUYS VAN
  214. SIECKELIEDEN NAER EPPEGEM OPDEN STEENWECH ENDE WY
  215. HUGO ENDE ELISABETH HEERE ENDE VROUWE VAN BUGGENHOUT
  216. MOETEN HEBBEN VRIJ VAN TOLL ALLE DEGHENE DIE WOENEN
  217. EN SULLEN WOENEN LIJFFVAST OP ONSEN TSY LUIJDEN DIE
  218. MEN NOEMPT VOCHTLIEDE OFT ANDERE [.] OOCK DAT DEN HEER
  219. HERTOGH NIJET EN SAL MOGHEN NEMEN EENIGHE LASTEN VAN
  220. HUN VUIJTGENOMEN DES STE PEETERS MANNEN DIE SIMPELS BLIJVEN
  221. AEN MIJN HEERE DEN HERTOGH VERBEUREN WIJ HERTOGH VOORS
  222. EN SULLEN NIJET HEBBEN EENICH GEVOLGH OPDE GOEDEN VAN HEERE HUGO
  223. ENDE VROUWE ELISABETH VOORGENAEMPT VAN LUIJDEN DIEMEN
  224. NAEMPT VOCHTLIEDE [.] MAER HADDEN SY MISDAEN OP DEN ONSE
  225. ALEER SY OVERLIEPEN OP DEN HEERE HUGO ENDE VROUWE ELISABETH
  226. VOORGESEYD
  227. SOO SULLEN SIJ DIE BETERNISSE DOEN VAN DAT LEIJT AEN ONS [.] ENDE
  228. NAER SULLEN DIE HEERE HUGO ENDE VROUWE ELISABETH
  229. MET HUN VOORTSVAEREN ZELS ALS HUN ANDERE LUYDEN NAER PAYERINGE
  230. ENDE DREIJGEMENTEN VAN WAUTIER DE BERCKST EN JEHAN
  231. DELEHEIJKEN SULLEN HEBBEN MIJN HEERE HUGO ENDE
  232. VROUWE ELISABETH ET HEUR SUCCESSEUREN VOORSEYDT DE
  233. HELLICHT VAN ALLE JUSTICIEN DIJEN SULLEN VALLEN SY
  234. SULCKER VUEGEN ALS SY HEBBEN HEUR GERECHTINGEN OP HEUR
  235. ANDERE LUIJDEN [.] ENDE OM DAT WIJ WILLEN DAT DESE
  236. DINGHEN BLIJVEN VAST ENDE GESTADICH INDER EEUWICHELEN,
  237. HEBBEN WIJ DESE BRIEVEN GESEGELT MET ONSEN EIJGHEN
  238. SEGHEL, SCHEPENEN TOT BRUESSELE DEYNDAEGHT NAER
  239. D’OCTAVE VAN STE SPEETER ENDE STE S’SAVEL APOSTELEN,
  240. INDEN JAER VAN GRATIE DUIJSENT DRYHONDERT EEN,
  241. HAC SALVO MELIORI JUDICIO
Bijlage 3: Memorie van gerechtichheyt die het Goidtshuys van Oliveten is hebbende binnen Sempst.
 

Ierst heeft het Goidshuys voorschreven trecht van meyer ende schepenen

Den tweeden hebben alsnoch het bedrijff ende doen bedrijffven metten voors hunnen meyer ende schepenen

Dat es dat die van Oliveten met hunnen meijer ende schepenen moeghen doen beleijde opde gronden van erven opde panden ende goeden chijs ruerich aen Oliveten tot vuytwinninghe perpetuel des selve

Dat die van Oliveten moegen doen kerckgeboden daer hunnen meijer off eende preter die de heeren proviseurs neffens den meyer van Oliveten het bedrijff ende doen bedrijven nyet en can geexerseert worden

oijck hebben die van Oliveten van allen ouden tijden getrocken van vercochte goeden cheys eueiich aen die van Oliveten ontfangen voor pontgelt den thienden penninck daer aff geven een eerst vierde paert aende heere baron van Grimberghe

Ende van gelycken werden alsulcke goyen ende ewen gegoyen en geerfft voorden meyer ende schepenen van Oliveten mett exclusie vande heere Barrons van Grimbergen meyers ende schepenen

Allen civille saecken cheys ruerich aen Oliveten moeten bedinckt worden voorden meyer ende schepenen van Oliveten tot exclusie als voere

Alle civile ceuren moeten gecomposeert worden bij partijen tegen den meyer van Oliveten met exclusie als vore midts gevende den heere Baron daeraff een vierde paert

Oijck warachtich dat die van Oliveten hebben confiscatie van delinquanten smaeckende crime bij soo verre de heere Baron daer over gheeve justicie en consten off en hadden gedaen ende nijet doen en const mits gevende daer aff den heere Baron een vierde paert

Dat die van Oliveten hebben trecht met hunnen meyer ende schepenen te beleyden beneffens den heere Baron ende den meyer ende schepene van syn mat. sheerenstraete voor eygen goyen, ende andere cheys goyen van andere smaelrechteren in Sempst ende Weerde, endeboven dyen privatelyck recht van beleyden voorde cheys goyen van Oliveten tot exclusie van alle anderen

Van gelycken van schaede die yemants beesten hadden gedaen vrye ende opt gemyen goet, dat die schaede aff den kere daeraff verbeurt worde gedeylt in drye deelen, sijn mat. Grimbergen ende Oliveten elck een derde paert, dat sulcx bij ander rekeningen ende gebruyckt worde bevonden

Dat die van Oliveten hebben eerst van voornangsen van planten oversprongen van huysen gracht van minderen off meerderen leen te stecken als anderssins vuyt geven op cheys van respecte van hunne cheys goeden souden eenigh pondcadicke met exclusie van heere Baron

Dat die van Oliveten van allen ouden tijde tsedert t jaer twelffhondert drijentnegentich hebben vuytgerings van voornagen gegeven ende geconsenteert te mogen platsen grachten te weyden off minderen leen ende erve vuyten straete te strecken ende graven sonder ijemants teghen seggen

Dat het stuck lants geheeten het oude hoff groot vier bunderen Oliveten alleen competeert mette plantagie det daer voere staende als... heerstraet sijnde daer de plantagie es staende

Dat de selve boomen als eyck vant bosch aldaer tegen over Oliveten is toecomende sijn bet land anno vyffthien hondert drijenveertich

Dat die van Oliveten tsedert altyt sijn geweest in possessie...
 

Marc Alcide
Laatste aanpassing : 05/02/2006

Hoofdpagina