De laatst te Antwerpen geguillotineerde woonde 5 jaar aan de Brug te Zemst, of het levensverhaal van de roofmoordenaar Francis Kol. (Marc Alcide)

Het gehucht "De Brug", gelegen op de grens tussen de provincie Antwerpen en Brabant aan de Zenne, is op een paar huizen na volledig verdwenen. Tijdens de vorige eeuw had het een heel andere aanblik. Er waren geen groothandels van elektrische apparaten, geen grootschalige schoenwinkels, geen GB's en geen autostrades met reusachtige bruggen. De-19de eeuwse boer van het gehucht, moest men hem terug uit zijn graf halen en hem op de Steenweg plaatsen, zou volledig gedesorienteerd zijn.

Sinds eeuwen had de familie Van Asbroeck hier bezittingen, waarvoor zij tijdens het Ancien Regime cijns betaalden. De landerijen gingen over van generatie op generatie. Maar met het verdwijnen van het gehucht in de zeventiger jaren, verdwenen ook daar de Van Asbroeck-nazaten.

Een van de grote pachters in de 19de eeuw aldaar was Joannes Baptist Van Asbroeck.Hij hield er een grote boerderij op na, die aan om en bij de 25 personen onderdak verschafte. Tweehonderd meter verder woonde zijn broer, eveneens pachter, met zijn familie en dienstpersoneel.

Het was in die tijd de gewoonte dat er in rurale gemeenten zoals Zemst op de boerderijen veel gewerkt werd met dienstpersoneel, met name meiden en knechten. Sommige van deze knechten verbleven er al van tijdens hun kinderjaren. Zij werden er grootgebracht, de boeren kregen subsidies van het stedelijk OCMW om deze kinderen (op) te voeden. Het waren vondelingen of ouderloze kinderen...

Ook bij Joannes Baptist Van Asbroeck verbleven er knechten en meiden. Een van hen was Francis Kol. Hij was eveneens een vondeling, doch hij was niet bij Van Asbroeck opgevoed.

Hij werd gevonden te Brussel in den rol op 9 februari 1826 en was bij gessing 14 dagen oud. Hij was gekleed met drie mutsen, een hemd en een violette katoenen hemdrok. Tot zijn twaalfde werd hij in het vondelingengesticht van Brussel opgevoed, van hetwelk hij pas later besefte wat een hel het daar was. Vanaf zijn twaalfde wroette hij van 's morgends vroeg tot 's avonds laat, dan knecht hier, dan werkjongen daar. Dat leven beu scheepte hij in, zoals zovele anderen, naar Amerika, naar het land van belofte. Hij was toen zowat 22 jaar. Als matroos of als buildrager kende hij te New York niet meer geluk dan hier. Na een tweetal jaren landde hij als matroos aan, eerst te Liverpool, dan te Hamburg, en zes maanden later kwam hij te Antwerpen terug, bedrogen in zijn verwachtingen. Toen werd hij aangenomen als knecht bij de familie Van Asbroeck aan de Brug. Hij verbleef er van 1850 tot oktober 1855. Hierna vertrok hij naar Kontich, waar hij het opnieuw ging proberen als boerderijhulp, bij boer Robberechts. Hij was er nog maar drie weken actief of hij kreeg het lumineuze idee het huis van zijn kersverse werkgever te besnuffelen op zoek naar geld en juwelen. Hij dacht dat de bewoners naar de mis waren, doch de vrouw des huizes Joanna Theresia Michiels, huisvrouw van boer Robberechts, bleef onverwachts thuis. Alzo betrapte ze de snoodaard, tijdens zijn criminele activiteiten. Met een kapmes en een kniptang brak hij de koffer open waaruit hij zich de welgevulde beurs, waarin tussen de 600 en de 1000 frank lag, eigen maakte. Dit geld had boer Robberechts bestemd om zich een aantal nieuwe paarden aan te schaffen. Verder maakte hij zich meester van een zilveren horloge met ketting. Zonder medelijden echter joeg Kol het kapmes door het voorhoofd van de vrouw, nadat hij door haar betrapt was. Een van de vele bewijzen tegen hem verzameld was o.a. het feit dat Kol daags tevoren in Zemst, waar hij nog steeds officieel was ingeschreven, een certificaat had aangevraagd om naar het buitenland te kunnen vertrekken. De burgemeester van Zemst had hem alzo de nodige papieren ter hand gesteld opdat hij op het Provinciaal Gouvernement te Brussel gratis een paspoort zou kunnen bekomen. Hij sprak erover naar Frankrijk te vertrekken. Zo gezegd, zo gedaan: Kol maakte te Parijs grote sier met de spaarcenten van de familie Robberechts. Doch mooie liedjes duren niet lang en de Parijse politie, die uit de kranten had vernomen dat er bij ons een gruwelijke moord gepleegd werd, vond de handelwijze van Kol verdacht. Hij deed geheimzinnig en leefde boven zijn stand. Vervolgens werd hij gearresteerd en aan de Belgische autoriteiten overgedragen.

Alzo kwam de zaak voor het Assisenhof van Antwerpen op 12 maart 1856. Er werden 15 getuigen opgeroepen waaronder een landbouwster uit Zemst, waaraan de beschuldigde had verklaard naar Frankrijk te vertrekken. Heel de zaak draaide rond het plotse vertrek van Kol naar Parijs de avond van de moord; de uitbundige uitgaven van Kol, die voordien nochtans niets scheen te bezitten; de aanwezigheid van Kol te Kontich rond het uur van de misdaad en bloedvlekken op zijn neusdoek en kiel, te Mechelen in bewaring gegeven en door Robberechts en zijn meid herkend. Op 5 uren en op 1 enkele zitting werd Kol tot de doodstraf veroordeeld. Hij deed nog een vergeefse poging om genade te vragen, doch dit werd prompt afgewezen. De laatste dag voor zijn terechtstelling had hij voortdurende gemijmerd en voortdurend herhaalde hij Moeder, waarom hebt gij mij verlaten? Nooit heb ik U gekend, ook vader niet. Zelfs uw naam is mij onbekend. Hoe heb ik soms naar U getracht, in mijn eenzaamheid. Ik vergeef het U, De Salm-Salmgevangenis te Antwerpen ten tijde van Kol's gevangenschap aldaarmoeder, dat gij mij te vinden legde. Ook voor U was de wereld misschien wreed geweest. Ik heb pijn, niet zozeer omdat ik moet sterven, maar omdat het mij zelfs nu, wanneer ik de wereld ga verlaten, niet gegund is mijn moeder vaarwel te zeggen, alhoewel zij misschien dichter bij mij leeft dan ik vermoed.

De 8ste mei 1856 was het dan zover. Kol kwam rond 9.00 uur op het Kasteelplein te Antwerpen aan. Naast de wagen stapten de beul en zijn helpers. Hij droeg een hoed zoals de gouverneur, met een Belgische cocarde versierd. Spijts het getrappel van de paarden, hoorde men nu en dan de gebeden van de priester. Toen tenslotte Kol's hoofd viel bad de geestelijke In paradisum deducant te Angeli...

Sedert de halsrechting van Frans Kol, nu bijna 140 jaar gelegen, werden de genadeverzoeken van alle terdoodveroordeelden ingewilligd en de door het Assisenhof van Antwerpen uitgesproken doodstraf in levenslange dwangarbeid omgezet. De guillotine werkte te Antwerpen voor het eerst op de Grote Markt tijdens het Frans bewind op 19 maart 1798. In het geheel hadden er te Antwerpen 19 halsrechtingen plaats, waarvan 8 in de maand juli 1808. De eerste van de acht was een moordenaar. De zeven anderen, die allen op 29 juli terechtgesteld werden, waren leden van een bende "voetbranders". Met de uitvoering van het doodvonnis werd een bloedige periode afgesloten in de geschiedenis van het Antwerps gerecht. Een fragment uit zijn overlijdensakte luidde als volgt: Overlijdensacte van Franciscus Kol, boerenknecht, oud dertig jaer, te Brussel gevonden, te Sempst provincie Brabant gehuisvest.... In de bevolkingsregisters van 1847-1856 van Zemst staat Kol genoteerd bij de lijvige familie Van Asbroeck. Bij de rubriek "opmerkingen" in dit register heeft de ambtenaar genoteerd: guillotiné à Anvers.

Bronnen: Gazet van Mechelen (mei 1956), bevolkingsregisters Zemst.

Met dank aan: Mevr. De Lelys-Daems, specialist in de vondelingenproblematiek.

Marc Alcide

De inhoud van deze pagina is beschikbaar onder CC-BY-SA/GFDL
Laatste aanpassing : 12/02/2013

Hoofdpagina