De versie met voetnoten vind men in de VVF-bibliotheek, F. Van Heybeekstraat, 3, 2070 Merksem

Het leven rond de kerk tussen 1559 tot 1616. Toestand in de omgeving Zemst.  (Marc Alcide)

     Van de periode 1559-1616 vond ik over Zemst bijna geen
literatuur in de bibliotheken. Het is een periode van oorlo-
gen: Spanjaarden en Nederlanders vechten bijna ononderbroken
om in onze streken invloed te verkrijgen. Daarbovenop had men
ook de Godsdienstoorlogen tussen aanhangers van de Paus of de
katholieken enerszijds, en allerlei Hervormingsgezinde groepe-
ringen anderszijds. Vanaf het ogenblik dat deze laatsten in
onze streken de duimen moesten leggen, dienden zij ook hals
over kop de vlucht te nemen naar het voor hun veilige Noorden.
Demografische studies toonden aan dat tegen het einde van de
16de eeuw de Zuidelijke Nederlanden vele honderduizenden
inwoners kwijt waren. Ook Zemst, Weerde, Elewijt en Eppegem
vormden hier geen uitzondering op. Tenslotte waren er in deze
onzekere tijden ook vele misdadige bendes - zowel militairen
als niet-militairen - actief die zich rijker maakten door het
ondernemen van strooptochten zowel te land als op het water.
Deze Hervormingsgezinden hadden het tijdens hun plundertochten
dikwijls gemund op onze kerken. De geuzen plunderden in ons
land meer dan 400 kerken, godshuizen en kloosters en verniel-
den circa 3000 schilderijen. Pas in 1605 trad een algemene
verbetering op. Toen kregen meerdere parochies een eigen pas-
toor of deservitor kregen en bidplaatsen werden geleidelijk
terug opgebouwd en/of hersteld.
     In verband met Zemst en omstreken vond ik uit deze perio-
de toch een bron die mij een en ander kon bijbrengen. In elk
aartsbisdom werden er sinds eeuwen controles verricht door de
zogenaamde dekens. Zo werden alle parochies op hun goede
werking gecontroleerd, evenals de pastoors, kosters, enz. Deze
dekens maakten verslagen op over hun bezoeken aan de paro-
chies. In de kerkterminologie noemde men dit de Dekanale
Visitaties. Het zijn interessante bronnen die ons mede een
bepaald beeld geven wat er zo al omging in bepaalde dorpen en
gehuchten in het verleden. Daar ze in het Latijn zijn opge-
steld, laat menig amateur-historicus ze echter links liggen.
Toch zouden deze bronnen in bijna geen enkele dorpsmonografie
onaangeroerd mogen blijven.


     Tijdens de periode 1559-1616 viel het begevingsrecht van
de parochies Zemst, Eppegem en Weerde onder het gezag van de
Bisschop van Kamerijk. Dit was niet het geval voor Elewijt,
waar dit recht viel onder de penningmeester van het Aartsbis-
dom Mechelen.
     De opbrengst van de tienden, de belastingen in natura ten
gunste van religieuze instellingen, werden dikwijls verdeeld
onder een aantal van deze organisaties. 1/9 van de tienden van
Zemst waren bestemd voor de pastoor, 6/9 voor het Godshuis van
Oliveten, de abdij Ter Kameren en 2 leken en 2/9 voor de
kerkfabriek van Kamerijk. In Weerde werden de tienden als
volgt verdeeld: 8/9 voor het kapittel van Kamerijk en 1/9 voor
de pastoor. In Elewijt was ook 1/9 van de tienden voor de
pastoor bestemd, 4/9 voor de commandeur van Pitzenburg, 2/9
voor het tehuis van de Oude Lieden te Mechelen. Enkel in 1575
en 1577 kreeg de pastoor van Elewijt even 1/3 van de tienden
In Eppegem waren de tienden over vele stichtingen verdeeld:
2/9 is voor de Kapittel van Kamerijk, 1/9 voor de Abdis van
Ter Kameren, 1/9 voor de fondatie Zellaer, 1/9 voor de Abt van
Grimbergen, 1/9 voor het Godshuis van Oliveten, 1/9 voor
Lodewijk van Oeyenbrugge, 1/9 voor de Abt van Grimbergen samen
met het Godshuis van Oliveten en tenslotte 1/9 voor de pas-
toor.
     De bevolkingsaantallen van de vier besproken parochies
liepen evenwijdig op en neer. Over het algemeen stelt men vast
dat er na 1577 in elke parochie een sterke teruggang plaats-
greep. De kleinste parochie in de omgeving was Peutie met op
een bepaald ogenblik slechts 28 communicanten, wat overeenkomt
met ongeveer 40 zielen. Vilvoorde had in 1574  1400 inwoners
doch dit getal liep sterk terug in 1598: 300. De bevolking
van Zemst uitgedrukt in communicanten was de volgende: 360 in
1567, 370 in 1574, 370 in 1575, 400 in 1577, 120 in 1599, 200
in 1600, 400 in 1603, 300 in 1604, 300 in 1613, 340 in 1614,
350 in 1615, 350 in 1616. Te Weerde was de toestand als volgt:
100 in 1567, 100 in 1574, 100 in 1575, 70 in 1577, 45 in
1599, 40 in 1602 en 1603, 71 in 1605, 70 in 1606, 80 in
1614, 100 in 1615 en 70 in 1616. De toestand te Eppegem:
200 in 1574, 1575 en 1577, 50 in 1598, 132 in 1606, 160 in
1613 en 160 in 1615 en 1616. Elewijt was iets beter bedeeld:
300 in 1567, 200 in 1574 en 1575, 150 in 1577, 100 in 1595
en 1596 en 130 in 1598, 120 in 1599 en 1601, 134 in 1602, 127
in 1603, 106 in 1604, 135 in 1605, 180 in 1613, 200 in 1614 en
185 in 1615 en 1616.

     Dat er in de vier besproken parochies op kerkelijk gebied
heel wat fout liep staat buiten kijf. Laat ons eerst eens een
kijkje nemen te Zemst. Hier waren de financin slecht bijge-
houden door de vroegere functionarissen. Ten gevolge van deze
tekortkomingen belastte de deken een promotor met het opsporen
van oude schulden. In 1610 werd de pastoor vermaand omdat hij
dikwijls in de stad ging overnachten. De parochianen zagen
hiertegen evenwel geen enkel bezwaar. Anderszijds was men
tussen 1559 en 1598 niet tevreden over het werk van de kos-
ter. Ook in 1602 werden er klachten tegen de koster en zelfs
tegen zijn vrouw geuit. Meermaals bracht de kerkelijke over-
heid er in 1596 een bezoek om orde op zaken te stellen.
Belangrijke zaken waren soms niet in orde zoals het doopwater,
dat achter het hoofdaltaar in een open kom stond in plaats van
in een doopvont met deksel. Ook in 1601 was dit doopwater nog
niet afgesloten en afgezonderd van de overige kerkobjecten.
In 1567 was er te Zemst geen pastorij voorhanden en in 1598
zat men er zonder priester. Ook hier werden vernielingen
aangericht tijdens de Troebelen. Zo werd de kerkhofomheining
gedeeltelijk verwoest aangetroffen rond 1598. In 1599 regende
het nog altijd binnen in de kerk en er werd gevreesd voor de
instorting als er niet snel ingegrepen werd. In 1604 was de
kerk nog altijd niet hersteld, daar niemand de opbouw ter
harte nam.
     Te Weerde trof men gelijkaardige toestanden aan. Rond
1574-1577 was te Weerde de eigenlijke pastoor niet meer bij
machte zelf te fungeren, daar hij "geestelijk onbekwaam"
beoordeeld werd. Hij werd vervangen door de pastoor van Zemst
met zijn kapelaan. In 1598 was hier de kerk bijna helemaal
verwoest door de oorlogen van de voorgaande jaren. Het her-
stel was dringend vereist, anders zouden de kosten nog oplopen
tot 2000 florijnen. Het volgende jaar, in 1599 en 1600 was de
toestand nog steeds dezelfde. De kerk deed er toen zelfs
dienst als toevluchtsoord voor 3 families, hun koeien en
kalveren. In 1600 werd er niet gepredikt. Als uitvlucht werd
als reden aangehaald dat de kerk er totaal verwoest was. De
H. Eucharistie kon er niet met de nodige eerbied ondergebracht
worden door de slechte toestand. Zelfs in 1614 wordt er te
Weerde nog altijd geen H. Eucharistie bewaard. In 1605 hadden
de parochianen van Weerde in samenwerking met het Kapittel van
Kamerijk inspanningen gedaan om hun totaal verwoeste kerk
terug op te knappen. Doch ze waren er niet helemaal in gelukt
vermits er nog heel wat gaten in het dak waren, waardoor het
binnen regende. In 1606 was de toestand nog dezelfde, hoewel
van hogerhand uitdrukkelijk bevolen was het dak te herstellen,
doch de toenmalige financile toestand was slecht en de inkom-
sten te gering. Bovendien was er in dat jaar nog geen omhei-
ning rond het kerkhof. Ergens tussen 1607 en 1614 was de kerk
zodanig in orde dat de dienst gecelebreerd kon worden. In
1607 waren er klachten vanwege de parochianen omdat de pastoor
dikwijls afwezig was. 
     Eppegem viel in 1598 eveneens zonder priester en ook
hier waren de parochianen niet te spreken over dit feit. In
hetzelfde jaar was de kerk aldaar eveneens in erbarmelijke
toestand. Zelfs de H. Eucharistie kon er niet met de nodige
eerbied bewaard worden. Men diende er te verhuizen naar een
kapel. In 1601 was er in de kerk geen doopwater of doopvont
aanwezig. Ofwel werden de kinderen van de parochianen te Zemst
gedoopt ofwel bracht de deservitor het doopwater in een beker
mee. De kerk was hier in 1602 nog altijd verwoest, verlaten
en vervallen daar er geen geld was voor de heropbouw. De
koster moets tussen 1559 en 1598 eveneens tot de orde geroepen
worden. In 1600 waren er eveneens klachten over de deservi-
tor, met name de pastoor van Zemst. Deze moest nochtans ook
zorg dragen over de diensten in Weerde. De Eppegemnaars kloe-
gen dat hij wel de tienden hief, maar op zondag geen mis hield
en nooit predikte. De Eppegemnaars moesten op zondag naar
Zemst naar de kerk. De doop-, trouw- en begraafregisters
waren zeer slecht opgesteld. Tussen 1599 en 1601 moesten de
kostbare gewaden overgebracht worden naar Mechelen na kerk-
diefstallen, gepleegd te Nederokkerzeel. Ook in 1604 verwaar-
loosde de deservitor nog altijd zijn taak. Pas in 1606 kreeg
Eppegem terug een eigen pastoor, die om de twee weken predik-
te. Rond deze periode kwam ook de kerk in een zodanige staat
hersteld dat de dienst er kon gecelebreerd worden.
     Te Elewijt liep ook n en ander mis. Zo was daar in 1596
het doopwater bedorven en in 1601 werd het tegen de voor-
schriften in bewaard in een kruik. In 1599 werd het taberna-
kel er als "vuil" omschreven, de H. Eucharistie werd niet
bewaard zoals het hoort en in 1600 was de altaarsteen er
gebroken. In hetzelfde jaar was de kelk zo vuil dat de deken
ze zelf had afgewassen in aanwezigheid van de koster, burge-
meester en pastoor. De H. Eucharistie werd in 1604 overge-
bracht naar een veiligere plaats als bescherming tegen ket-
ters. De pastoor kloeg ook hier in 1598 over de geringheid
van de inkomsten. In 1572 had de kerkfabriek een tekort in
kas van 4 florijnen, doch de Armentafel had een overschot van
6 florijnen. In 1573 ging het beter. Toen hadden beiden een
overschot. Ook te Elewijt waren er in 1603 klachten over de
pastoor, doch het ging hier om een geval van heirkracht. De
oude pastoor was namelijk ziek en hierdoor verwaarloosde hij
zijn taak. In 1606 was hij zo oud en doof geworden dat hij
niet meer in staat was de biecht te horen van zijn 135 paro-
chianen. Ze kregen van hem de toelating te biechten waar ze
wouden. In 1607 werd de toestand nog slechter en werd er een
nieuwe pastoor aangesteld. Deze predikte slechts om de twee
weken in tegenstelling tot zijn voorganger die elke week een
preek afstak. De parochianen hadden toen nochtans geen klach-
ten. In 1611 werd hij opgevolgd door een zekere Petrus Van
Schaubroeck, die slechts om de zes weken of iedere maand
predikte. Nog in hetzelfde jaar woonde deze pastoor in bij
een ander persoon.

     Enmaal werd er voor Zemst ook melding gemaakt van het
aantal missen per week dat gelezen werd. We noteerden het
aantal van n mis per week voor 1565. Voor Weerde was dit in
1565 n mis per week en in 1574 vier, voor Eppegem n en
Elewijt twee.
In 1577 brandde er te Zemst en Weerde steeds n kaars tijdens
de goddelijke diensten. Een jaar later had Zemst wederom pech
toen de Spanjaarden de klokken uit hun kerk roofden en ze te
Mechelen versmolten tot een kanon. In 1599 bezat Zemst een
Romeins Missael, wat op dat ogenblik een rariteit is. In
1599-1600 werd de H. Eucharistie er bewaard zoals het hoorde.
Een biechtstoel was hier ook reeds in 1599-1601 hetgeen
weinig andere parochies bezaten. Zemst kon toen ook reeds
beschikken over een geconsacreerd altaar.
     Te Weerde verscheen de biechtstoel tussen 1610 en 1616
ten tonele, te Eppegem en Elewijt tussen 1602 en 1610. In
1599 beschikte Weerde nog niet over een kelk. In 1599-1601
waren er in Weerde nog geen doop, trouw en begrafenisregis-
ters. De akten worden in de registers van Zemst opgetekend.
In 1567 werd de pastorij te Weerde gehuurd door de pastoor van
Zemst, deservitor te Weerde. Nog in 1600 droeg de pastoor van
Zemst zorg over Weerde.

     Ook het onderwijs verliep stroef. In 1597-98 werd in
Zemst geen school gehouden ofwel wegens een gebrek aan leer-
gierige kinderen, ofwel omdat er geen geschikt lokaal voorhan-
den was en tenslotte omdat men geen geschikte onderwijzer kon
vinden. Tijdens de periode 1574-1575 werd het onderricht hier
gegeven door een kapellaan, in 1577 door de koster, tijdens de
periode 1595-1596 door een onbekende en in 1598 door niemand.
Vanaf 1599 werd er terug school gehouden en na 1599 liep er
ook een zondagsschool, waarin godsdienstonderricht gegeven
werd door de pastoor.
     In Weerde was er in 1574 tot 1577 zeker geen school. In
de periode 1595-1598 was er waarschijnlijk geen school. Ook
van 1599 tot 1616 werd er te Weerde geen melding gemaakt van
een school.
     Te Eppegem werd in 1574 het onderwijs gegeven door een
niet nader genoemde "religieus". Na dit jaar was er helemaal
geen sprake meer van een school of onderwijzer. Vanaf 1605 was
hier terug melding van een school.
     In Elewijt trad de koster op als schoolmeester rond de
periode 1574-1577. In 1595 was er voor het onderwijs niemand
voorhanden. Een jaar later trad de pastoor op als onderwijzer,
evenals in 1598. Ook in 1599 was hier nog sprake van een
school. In 1611 werd er gewag gemaakt van een zekere Joannes
Mertens die in samenwerking met zijn vrouw als onderwijzer
optrad te Elewijt en het onderwijs terug inrichtte nadat het
een tijd was stopgezet. In 1614 werd de man alleen als onder-
wijzer vernoemd. Voor 1616 werd hier ook een zondagsschool
ingericht.

     Ketterse neigingen kwamen te Zemst, Eppegem en Elewijt
voor rond 1610. Meer bepaald ging het hier over onderdanen die
nooit naar de kerk gingen en hun Pasen niet hielden. Wat
betreft het naleven van de zondagsrust waren er te Zemst
weinig opmerkingen. Toch werd in 1577 de zondagsrust verstoord
door iemand die in de oogst werkte. In de periode 1599-1616
werden er slechts 2 misverzuimen gemeld.
     Ook te Elewijt werd twee maal een misverzuim op de zon-
dagsrust vastgesteld. Ook waren er te Elewijt parochianen die
hun Paastijd te Brussel hielden. Rond 1610 verklaarde hier
een vrouw noch de bisschop noch de pastoor te vrezen nadat zij
op de vingers getikt werd wegens haar anti-religieuze houding.
Volgens de kerkleiding gaf haar handelswijze aanstoot aan
andere parochianen. Ook in 1606 werd hier melding gemaakt van
iemand die zijn godsdienstige plichten verzuimt en hiervoor
van ketterij wordt verdacht.
     Te Eppegem noteerde men zwervers, waarvan men niet wist
of zij rond Pasen "communiceerden". Een soldaat die in 1605
trachtte de pastoor te vermoorden, wordt hier ook als "ketter"
omschreven.

     In 1599 begaven veel bedevaarders zich te Zemst naar de
kapel van het Hammeke, gelegen aan de Zenne op de grens met
het Mechels district Geerdegem. De pastoor moest van hogerhand
de kapel laten herstellen om aldus de volksvroomheid aanwakke-
ren. Dit kon pas gebeuren met behulp van financile giften van
de gelovigen. In 1603 greep de herstelling plaats mede dankzij
de gedeeltelijke tussenkomst van de bisschop, die het hout
leverde en van de parochianen, die hun materile steun ver-
leenden.
     Elewijt groeide eveneens uit tot een bedevaartplaats. In
1595 beliepen de offergiften hier meer dan 100 florijnen. In
1599 kwam men er twee maal per jaar op bezoek. Er werd ver-
meld dat men in deze parochie een oude sleutel bezat, waarmee
men wonden uitbrandde bij mensen die door razende honden gebe-
ten zijn. Bovendien werden hier rond 1610 inwoners gemeld die
men kan raadplegen voor het behandelen van ziektes. Ze schenen
een soort magie te bedrijven en genazen meerdere mensen van
hondsdolheid. De overheid vreesde in dat verband voor bijge-
lovige praktijken en eiste hierover van de pastoor schrifte-
lijke uitleg. In 1598 werd de plaatselijke heilige Sint
Hubertus er vereerd met een grote toeloop van mensen. Op n
dag werden er 42 florijnen geschonken. In het algemeen kenden
de bedevaarten talrijke deelnemers en bovendien werd er water
en brood uitgereikt.

     Gunstige kritiek mocht ook wel eens geuit worden. Zo viel
de pastoor van Elewijt na de Troebelen zeer in de smaak door
zijn predikaties. Verder werd hij tijdens de periode 1599-1601 geloofd om zijn onbesproken
levenswandel en zijn regel-
matig prediken.

     Af en toe ging het er ook wel eens plezierig aan toe. Zo
bijvoorbeeld te Eppegem, waar de kerk en de Tafel van de
Heilige Geest of de zogenaamde Armentafel, de voorloper van
het huidige O.C.M.W., in 1572 10 florijnen uitgaf om een feest
in te richten, de dag dat de kerkrekeningen binnengebracht
werden.

Laatste aanpassing : 05/02/2006

Hoofdpagina